Kunst en wetenschap 3

Ik ontving drie spontane reacties op het stuk van Janneke Wesseling, die alle tot dezelfde conclusie komen: De kunstpromoties aan de Leidse Universiteit kunnen niet als wetenschap worden aangemerkt. Het gaat om kunsthistorica Marty Bax (Bax Art Concept & Services), Constantijn Kelk (emeritus hoogleraar strafrecht en kunstkenner) en Johan Leestemaker (de in Colombia werkzame deskundige op het gebied van internationale samenwerking in het bijzonder op het gebied van stedelijke armoedebestrijding en industrialisatie, destijds adviseur van het kunstenaarscentrum W 139 in Amsterdam). Inmiddels heeft Henk Borgdorff (1954) bij dezelfde vakgroep op 10 februari 2017 te Leiden zijn oratie gehouden in de theorie van het onderzoek in de kunsten. Ik zeg daar in het afrondende stuk aan het slot iets over. Ook deze oratie verschaft naar mijn oordeel geen helderheid over de vraag wat het kunstzinnig onderzoek met wetenschap heeft te maken. Een handicap daarbij is (dit signaleert Leestemaker ook) dat de uitkomsten van dit kunstzinnige onderzoek niet toegankelijk zijn en dat Borgdorff in gebreke blijft voorbeelden te geven. Hij hult zich in abstracties. Het lijkt mij dat de conclusie gerechtvaardigd is dat het College van decanen dit hele kunstonderzoek nog eens toetst aan de wetenschappelijke doelstellingen van de Leidse Universiteit.

Dr. Marty Bax schrijft:

De afschaffing van de Dagbladzegel in 1869 vormde in Nederland het startpunt van een stortvloed aan kunstenaarsmanifesten. De moderne kunst is daar een direct uitvloeisel van en de traditie loopt tot vandaag door – tot en met de art sciences. Die traditie zouden we nu branding noemen: het creëren van je merk, en het creëren van je eigen afzetmarkt door middel van een schare van volgelingen. De universiteit is nu een van die volgelingen geworden. De kunstenaar krijgt maar liefst vijf jaar via geheel maatschappelijk gelegitimeerde geldstromen de tijd om zijn eigen artistiek manifest te schrijven. Zeg daar maar eens ‘nee’ tegen!

Tijdens de studie kunstgeschiedenis doe je geen noemenswaardige praktische kennis van kunst op. Ik had die toevallig wel: net als Katalin Herzog ben ik eerst als kunstenaar opgeleid. Dat hielp enorm bij het onderzoeken en kunnen navolgen van het creatieve proces van een kunstenaar. Het scherpt je visuele analyses, vraagstellingen én conclusies. Een voorbeeld: onlangs is een foto van Mondriaan opgedoken, die een paletmes in zijn hand houdt werkend aan zijn Victory Boogie Woogie. Wereldnieuws! Maar wie als schilder naar het werk kijkt, heeft zo’n foto niet nodig. Je ziet het direct, omdat je de techniek kent. Dat is cognitieve kennis, die je in de wetenschap kunt inbrengen. De kunstgeschiedenisopleiding faalt hierin. Maar dat gat is niet te dichten door nu kunstenaars tot wetenschappers te maken.

De kunstgeschiedenis behoorde oorspronkelijk tot de traditie van verstehen – de Duitse traditie die de geesteswetenschappen heeft gevormd als pendant van de natuurwetenschappen (erklären). In de naoorlogse kunstgeschiedenis is erklären een grotere rol gaan spelen, omdat ons hele wetenschappelijke bestel doelgericht werd gezuiverd van alles wat riekte naar fascisme ten gunste van het op Erklärung gerichte Angelsaksisch systeem. Sindsdien vormen verifieerbaarheid en falsifieerbaarheid de fundamenten van alle (!) huidige wetenschappen. Als kunstwetenschapper wordt je geleerd én geacht een metastandpunt in te nemen ten opzichte van je onderwerp.

Op grond van wetenschappelijke criteria  vallen daarom ‘zelfpromoties’ van kunstenaars buiten de Academia. Tenzij ze zich aan die criteria houden. Om een parallel beeld op te roepen: ik zou de eerste kunsthistoricus willen tegenkomen die op zichzelf mag promoveren.

De opvatting van Janneke Wesseling – zelf gepromoveerd, overigens – is onbegrijpelijk, onjuist en bovendien gevaarlijk voor de kunstwetenschappen, namelijk dat: ‘… [bij het speculatief onderzoek van de kunstenaar] de onderzoeksmethodologie inderdaad niet van tevoren gegeven is, maar ontleend is aan de zelfgestelde  opdracht van de onderzoeker  – zoals dit trouwens het geval is voor het merendeel van geesteswetenschappelijk onderzoek’ [mijn cursivering]. Pardon? Veel van mijn collega’s, ook uit andere geesteswetenschappelijke disciplines, zouden steigeren bij deze stelling. Anders gezegd: op deze manier wordt het beeld bestendigd dat kunstwetenschap eigenlijk geen academische discipline is. Ik ken ook genoeg mensen die dit volmondig zouden beamen. Dat beeld heeft de kunstgeschiedenis dan aan zichzelf te wijten. In moderne bewoordingen: haar branding past niet binnen het merk Academia.

De academische graden zijn door de democratisering van het onderwijs na  1945 de algemene graadmeter geworden voor intelligentie en maatschappelijk succes (= inkomen). De kunstacademie – een HBO – streeft naar academisch aanzien. Tegelijkertijd echter maakt de wetenschap een draai naar het HBO. Want een meer beroepsgerichte opleiding is wellicht meer ‘maatschappelijk relevant’ en biedt betere arbeidskansen. Het gaat uiteindelijk om de (publieke) legitimering van kapitaal – of de legitimering van de afwezigheid van kapitaal, bijvoorbeeld vanwege bezuinigingen en fusies – of dat nu eerste, tweede of derde geldstromen betreft, of sociaal kapitaal of cultureel kapitaal.

Prof. Constantijn Kelk schrijft:

Ik heb lang mijn hersens afgepijnigd over de vraag hoe een kunstenaar via artistic research tegelijkertijd en vereenzelvigd met zijn eigen creatieve kunstuitingen tot een academisch, dus wetenschappelijk verantwoord proefschrift kan komen. Ook ik kon bij mijn gedachtevorming daarover niet loskomen van het beeld van een proefschrift over zichzelf of over het eigen werk van de kunstenaar.

Zelfstudie

Een wetenschappelijk geschrift vergt uiteraard distantie van het object en heeft als invalshoek het ontwikkelen en verdedigen van een theorie over bepaalde aspecten van de kunst die  een of meer bepaalde kunstenaars betreffen dan wel het aantonen van de onjuistheid van een reeds daarover bestaande  opvatting.  Dit alles in het belang van de kunst in het algemeen en van de gemeenschap van het kunstonderzoek in het bijzonder. Als een scheppend kunstenaar de intellectuele bagage bezit en tevens de aandrang en het engagement voelt om zich aan een dergelijke studie te wijden, dan zal hij of zij er goed aan doen geruime tijd zich daarop te concentreren en dit als het ware zoveel mogelijk los te koppelen van zijn scheppende werk als kunstenaar. Dan zou er denk ik sprake moeten zijn van een absoluut dubbel-talent, dat ook om een dubbele discipline met een daarbij behorende eigen benadering vraagt. Maar niet in die zin dat schepping en wetenschappelijke beschouwing in een soort huwelijk met elkaar tot het gewenste resultaat zouden kunnen leiden. Ik heb uit het alleszins uitstekende artikel van Katalin Herzog dan ook begrepen dat de wetenschappelijke resultaten van een dergelijk huwelijk over het algemeen pover genoemd moeten worden. Het is wat mij betreft het één of het ander. Ook een componist kan, lijkt me, niet op basis van zijn werk als kunstenaar een onafhankelijk musicologisch onderzoek verrichten.

Dat ligt ook naar mijn overtuiging voor de hand: de kunstenaar is gedreven door zijn impulsen en in een de daarvoor vereiste concentratie moeten zijn ‘gouden handen’ naar een uniek en origineel resultaat toewerken dat al groeiende zijn vorm krijgt en dat niet in de eerste plaats als een hoofdstuk in een boek is bedoeld. Het in J. Wesseling’s antwoord gestelde dat artistiek onderzoek ‘een dieper en gefundeerd inzicht in de eigen artistieke praktijk ten doel heeft en daarmee tevens kennis oplevert over kunst en kunstpraktijken in het algemeen’ kan ik op zichzelf  goed volgen, maar betekent nog allerminst dat dit tot een proefschrift kan leiden. De subjectieve ervaring  kan voor een proefschrift zeker van groot inspirerend gewicht zijn, maar daarnaast is er heel wat meer nodig. Ook de wetenschapper in de psychologie zal ongetwijfeld inspiratie opdoen bij het schouwen van zijn eigen ziel en zielenroerselen, maar voor een wetenschappelijke studie over een bepaald psychologisch verschijnsel zal hij  toch zeker ervaringen van anderen nodig hebben, hetzij als proefpersonen hetzij ontleend aan de vakliteratuur.

Ik ken zelf geen proefschriften op basis van artistic research, hetgeen mijn voostelling ervan wat theoretisch maakt. Misschien ben ik teveel bevangen door een vooroordeel. Maar vooralsnog denk ik er zo over als gezegd.

Johan Leestemaker schrijft:

Ik heb de beide door jouw genoemde betogen van mevrouw Wesseling en van mevrouw Herzog gelezen, en dat maakte mij benieuwd naar de inhoud van de dissertatie van Scholten.

Het verhaal van mevrouw Wesseling munt niet uit in helderheid, want de onderzoekswijze van Scholten wordt aangeduid als ‘speculatief’, zonder daarbij te verklaren wat hier ‘speculatief onderzoek’ behelst.

Bedoelt Wesseling de tegenstelling tussen confirmatief onderzoek versus exploratief onderzoek? Dus de tegenstelling tussen onderzoek met een tevoren opgestelde te toetsen hypothese, versus onderzoek waarbij tevoren geen te toetsen hypothese werd opgesteld, kortom waarbij een pandora aan uitkomsten op kan duiken, waarbij het gissen blijft wat de aard van de causale relaties is tussen oorzaken en waargenomen effecten?

Urbanisme

Zij wijst vervolgens op de ‘subjectieve ervaring’ die ‘een duidelijk aanwijsbare en centrale rol speelt’ in het bedoelde speculatieve onderzoek, en, tot mijn verbazing, concludeert zij vervolgens ‘dat de onderzoeksmethodologie inderdaad niet van te voren gegeven is’.

 

Eerst een algemene opmerking.

De term ‘onderzoeksmethodologie’ is een onjuiste term als het gaat over de keuze van de ‘methode van onderzoek’, i.e. de weg die de onderzoek(st)er volgt bij het verrichten van onderzoek.

Immers, ‘methodologie’ is de ‘wetenschapsbeoefening omtrent de gevolgde weg ‘, en dat is nu precies iets waarvan Wesseling aangeeft dat Scholten het daar niet over zal hebben, immers het is zijn subjectieve ervaring die hem leidt op de weg van zijn speculatieve onderzoek.

Dan een meer toegespitste opmerking.

Als subjectieve ervaring de leidraad is bij dit speculatief onderzoek, dan is er dus geen enkele beoordeling meer mogelijk van welke overweging door de onderzoeker ook om iets wel of niet te doen op de ingeslagen onderzoeksweg. Immers, wie kan er ooit nagaan wat er zich heeft afgespeeld in het hoofd van de heer Scholten toen hij zijn speculatief onderzoek deed, wie kan er ooit nagaan of het waar is wat hij over zijn subjectieve ervaringen debiteert, en of het volledig is wat hij daarover te berde brengt.

Het helpt bij het proberen te achterhalen van de motieven voor dit speculatief onderzoek ook al niet erg dat de toegang tot de teksten die daar wellicht iets over zouden kunnen openbaren, tot 16 mei 2018 voor het publiek afgegrendeld is. (zie

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/44248)

Ondanks de mededeling van mevrouw Wesseling dat alleen de subjectieve ervaring van de heer Scholten hem geleid zou hebben op zijn onderzoeksweg, doen een paar opmerkingen van Scholten zelf iets heel anders vermoeden.

Immers, de vraag die wél terug te vinden is op de hiervoor geciteerde website van de Leidse Universiteit luidt:

¨What influence do chaos, entropy and fragmentation have on the viability of the rapidly developing urbanizing world?¨

Sta mij toe dat ik als deskundige op het terrein van stedelijke armoedebestrijding iets over die vraag schrijf.

Ik gebruik hierbij de ‘exploratieve methode’, want ik heb geen toegang tot de definities die Scholten gehanteerd heeft, en kan die dus ook niet onderzoeken of toetsen in de toepassingen die hij gekozen heeft.

Ik ga deel voor deel de onderdelen van de vraagstelling van Scholten na.

Bij het begrip ¨rapidly developing urbanizing world¨ kan een ieder die thuis is in de cijfers zoals die door de OECD jaarlijks geproduceerd worden over wereldwijde urbanisatie, zich iets voorstellen. Iets, want niet alles. Immers, ‘rapidly urbanizing world’ is iets geheel anders dan ‘rapidly developing urbanizing world’. Al vanaf de jaren 1970 hebben vele onderzoekers erop gewezen dat ‘urban development’ (stedelijke

ontwikkeling) iets geheel anders is dan ‘urban poverty alleviation’ (stedelijke armoedebestrijding).

In hedendaagse termen: Wat meneer Trump onder stedelijke ontwikkeling verstaat, is iets geheel anders dan wat burgemeesters als Jaime Lerner (voorheen Curitiba, Brazilië) en heden Mauricio Armitage (heden Cali, Colombia) onder stedelijke ontwikkeling als stedelijke armoedebestrijding verstaat.

Trump is een typerende epigoon van het al zo heel erg lang geleden door de WereldBank en de VN failliet verklaarde Betting on the Strong met zijn, bewezen, mythe van automatic trickle down, versus de stille revolutie van low cost large empowering ingrepen van Lerner en Armitage, die juist organisatie vanaf de voet bepleiten. Niks betting on, maar daadwerkelijke organisarende arbeid vanaf de voet, zoals Zweden en heel Scandinavie zich vanaf het begin van de 20e eeuw door zelforganisatie in horizontale vakbeweging en consumenten cooperaties uit de armoede omhoog geworsteld hebben naar eerlijk gedeeld ‘buen vivir’ voor allen.

Het zal, in dit verband, niet verbazen dat tal van Trumps op deze wereld ´claimen´ dat hun urban development erg ´viable´ is en automatisch tot urban poverty alleviation leidt. Het zal dan ook weinig verbazing wekken dat het de rol van een goed geschoolde deskundige op het terrein van stedelijke armoedebestrijding is, precies die ´claim´ op viability kritisch te onderzoeken, te bevragen en blijvend te monitoren en evalueren, ook al omdat tal van nieuwe slimme heilsprofeten zijn opgestaan op dit gebied, zoals meneer Richard Florida, die ook al meende en meent dat bij toverslag via het toverwoord ´creatief´ armoede opgelost kan worden.

Waar doelt Scholten eigenlijk op als we het over Trump versus Lerner/Armitage hebben?

En wat betekenen woorden, en belangrijke, in de fysica wel-gedefinieerde concepten, als chaos, entropie en fragmentatie bij hem dan?

We kunnen slechts gissen. Zowel mevrouw Wesseling als haar Universiteit als Scholten sluiten zich hermetisch voor onze waarneming af.

Afronding door Egbert Dommering naar aan leiding van de oratie van Henk Borgdorff

Henk  Borgdorff is al langer werkzaam op het gebied van het kunstonderzoek. Over zijn oratie ((https://www.universiteitleiden.nl/nieuws/2017/02/%E2%80%98kunst-is-frontlijn-van-de-wetenschap%E2%80%99) zegt hij:

‘Onderzoek in de kunsten wordt vaak afgezet tegen andere vormen van wetenschappelijk onderzoek. Dat is jammer. Kunstonderzoek is juist één van de frontlinies van de wetenschap. Vaak wordt beweerd dat onderzoek in de kunsten gelijkwaardig is aan andere vormen van wetenschappelijk onderzoek’, zegt Borgdorff, hoogleraar in Theorie van het Onderzoek in de Kunsten. ‘Dat vind ik een ongelukkig uitgangspunt. Door de gelijkwaardigheid te benadrukken, beweer je in één adem dat ze niet hetzelfde zijn. Sterker nog: het suggereert een impliciete hiërarchie tussen serieus en tweedeklas onderzoek. Terwijl kunstonderzoek prima thuis hoort in de wetenschap, en er juist één van de frontlinies van is. De kunstpraktijk dringt op ieder niveau door in het onderzoek. Je onderzoeksonderwerp is natuurlijk een uiting van kunst, of het nu een muzikale compositie is, een installatie of een beeld. Maar ook het onderzoek zelf vindt in de regel plaats in de praktijk, door iets te maken of uit te voeren. Tot slot levert het onderzoek vaak weer een nieuw muziekstuk of kunstwerk op. Het is tijd om een positiever begrip van artistiek onderzoek te ontwikkelen en uit te dragen. Veel kunstenaar-onderzoekers maken gebruik van onderzoeksmethoden die in andere wetenschapsdisciplines gangbaar zijn, zoals veldwerk, surveyonderzoek, historisch literatuuronderzoek en experimenten. Dit ‘methodologisch pluralisme’ is – samen met de focus op de materiële aard van het studieobject en eindproduct – wat onderzoek in de kunsten kenmerkt. Het is nu ook zaak om te laten zien wat kunstonderzoek zelf te bieden heeft aan de academische wereld. Al maken we vaak gebruik van methoden uit de sociale of geesteswetenschappen, kennis en begrip worden in ons studieveld gegenereerd en doorgegeven via artistieke praktijken. Het wordt tijd om de methodologische relevantie daarvan te laten zien.’ Zo maakt de Academy of Creative and Performing Arts, een samenwerkingsverband met de Hogeschool der Kunsten in Den Haag, op dit moment een catalogus met kunstonderzoek. Borgdorff: ‘Ook andere Leidse onderzoeksprogramma’s kunnen hierbij gebaat zijn, zeker als zij resultaten publiceren die verder gaan dan tekst alleen.’

Mijns inziens wordt hier verward tussen methode van onderzoek en het kennisresultaat. Feit blijft dat het eindresultaat van dit onderzoek de subjectieve kennis van de kunstenaar en diens werk is. Het verslag van de wetenschappelijke bevindingen wordt niet gepubliceerd. Tijdens zijn promotie in 2012 werd Borgdorff gevraagd om voorbeelden te geven (http://nieuws.leidenuniv.nl/nieuws-2012/kunst-en-wetenschap-gaan-die-twee-samen-in-nederland.html) , maar dat kon hij toen niet en dat doet hij nu ook bij zijn oratie niet. Hij zegt dat hij werkt aan een catalogus van lopend onderzoek, maar in wat er van die catalogus is gepubliceerd is niet te vinden wat er nu eigenlijk voor onderzoek wordt gedaan.

NB OP DONDERDAG 23 JUNI 2017 BESTEEDDE NRC-HANDELSBLAD ONDER VERWIJZING NAAR MIJN BLOG EEN ARTIKEL AAN DIT ONDERWERP ‘PROMOVEREN OP DE EIGEN KUNST’, IN HET REDACTIONELE HOOFDARTIKEL DE VOLGENDE DAG ‘KUNST EN WETENSCHAP LATEN ZICH MOEILIJK VERSMELTEN’ ONDERSCHREEF DE REDACTIE IN GROTE LIJNEN MIJN KRITIEK

Dit bericht is geplaatst in Essays. Bookmark de permalink.