Het artistieke thuishonk

Van 11 september tot 9 oktober organiseerde Koneksi-Connectie 2016, www.koneksi-connectie.com,  (een dit jaar lopend artistiek project dat gaat over de verbindingen tussen Nederland en Indonesië) een tentoonstelling Rethinking Home in Nieuw Dakota in Amsterdam Noord. Vijf Nederlandse kunstenaars met ‘een Indonesische achtergrond’ en vijf Indonesische kunstenaars mochten een project ontwikkelen dat de verbinding tussen de geschiedenissen van de kunstenaars en de beide landen tot uitdrukking bracht.

Counter Memory 010 Kaleb de Groot en Iben Trino-Molenkamp

Counter Memory 010 Kaleb de Groot en Iben Trino-Molenkamp

De werken werden in zomer van dit jaar in Indonesië gemaakt. Enkele voorbeelden: Naro Snackey (1980 Duitsland, opleiding Academie Den Bosch) maakte een videoinstallatie van een begrafenisritueel in Zuid-Sulawesie dat de inheemse animistische riten combineert met christelijk-protestantse elementen die Nederlandse dominees daar hebben geïmporteerd. Ade Darmawan (1974 Indonesië. Opleiding Jokjakarta, Rijksakademie 1998-2000) maakte uit op Indonesische en Nederlandse rommelmarkten gevonden ‘koloniale’ voorwerpen een nieuwe uitstalkast van VOC porselein gecombineerd met prulleraria. Kevin van Braak, kleinzoon van een Inlichtingen officier (NEFIS) bij de marine in Nederlands-Indië (1975 Nederland; OXT Sonsbeek 2016, zie http://kevinvanbraak.com/sonsbeek/ ) drukte oude foto’s van de politionele acties af op

'Een sta in de weg' Kevin van Braak

‘Een sta in de weg’ Kevin van Braak

grote batiklappen zodat het raster ontstond van oude nieuwsfoto’s. Tintin Wulia (1972 Bali; muziek opleiding Boston, architectuur in Bandung, master of arts universiteit van Melbourne, Istanbul biënnale 2005, onder meer in de collectie van het Van Abbemuseum) bouwde een groot in een driekwart cirkel opgehangen douchegordijn bestaande uit aan haar verstuurde ansichtkaarten waarvan de voorkant zwart was geschilderd onder de titel ‘40000 homes and a Sense of Security’. De kijker moet bij dit visueel imponerende object wel even doorassociëren met de door Daendels aangelegde Postweg, de globaal vernetwerkte wereld en door mensenhanden beduimelde kaarten.

40000 Homes and a Sense of Security Tintin Wulia

40000 Homes and a Sense of Security Tintin Wulia

Ik woonde op 8 oktober een gesprek bij tussen de deelnemende Nederlandse kunstenaars Kaleb de Groot (1974, beeldhouwer geen Indische achtergrond, maar wel een NSB grootvader, hetgeen hem met de neus op het Nederlandse oorlogsverleden heeft gedrukt), Iben Trino-Molenkamp (1973, filmer en historicus; Japans-Nederlandse achtergrond) en Tjong Ang (Chinees-Nederlands, 1961 geboren in Surabaya, maar na de Soeharto coupe van 1965 vluchtte het gezin naar Nederland). Kaleb en Iben maakten een Atjeh project. In Atjeh leeft de herinnering– wat hier bekend is als-  de ‘Atjehoorlog’  van 1874-1904 nog van generatie op generatie voort (in kaart gebracht door Anton Stolwijk’s boek Atjeh, juist verschenen). Bij ons is dat de vervagende herinnering aan generaal Van Heutz, maar destijds maakte de Nederlandse kunstenaar Albert Hahn een genadeloze spotprent in zijn Abraham Kuyper album Ondere Zwart Regime uit 1904 met het bijschrift  ‘D’Atjeh krijg was in oorsprong onrecht zegt de Heer/Bram sprak: “’t onrecht is verjaard” er is geen onrecht meer/Dies sla den Atjehnees, tot rust van ’t rijke Deli/Maar breng daarna hem gena van het evangelie’.

Albert Hahn 1904 Bijbeluitdeling op het slagveld in Atjeh

Albert Hahn 1904 Bijbeluitdeling op het slagveld in Atjeh

‘A Year of Living Dangerously’ Tjong Ang

De installatie van beide kunstenaars bestaat uit een omvallende Tatlinachtige toren, een opgeblazen foto van een slachting in een kampung (afbeelding hierboven) en een film van gesprekken met bewoners. Tjong Ang ging terug naar het jaar 1965 van de coupe toen hij het land verliet. In een loods in Djakarta liet hij jonge Indonesische figuranten (zonder herinnering aan 1965) een communistische demonstratie naspelen, gebaseerd op een scène uit de film uit 1982 van Peter Weir, The year of Living dangerously. De gemaakte opnamen brengt hij samen in een installatie.

Het gesprek vat ik samen in drie thema’s. 1. De tijd dat kunstenaars zich in een universeel kosmopolitische artistieke code van het (Westerse) modernisme kunnen uitdrukken is voorbij; 2. (daarvan afgeleid) De kunstenaar draagt zijn microkosmos met zich mee in een geglobaliseerde wereld; voor Nederland is dat bij tweede en derde generatie kunstenaars de wereldoorlog en het koloniaal verleden; 3. Het beeld van de geschiedenis is in de actuele wereld die weggespoeld wordt door beeld, weggedrukt en moet ‘teruggewonnen’ worden.

Ad. 1 Het keerpunt is de bekende tentoonstelling ‘Les magiciens de la terre’ (zie mijn blog uit november 2014 over de herinneringstentoonstelling http://www.egbertdommering.nl/?p=655 ). Zeker op de Venetië biënnales en de Dokumenta’s is het canon van het modernisme verdrongen. Kunstenaars trekken door de wereld en vinden daar de verhalen die verweven zijn met hun autobiografie. Het Westerse modernisme is daarbij hoogstens een methode van afbeelden maar niet een spiritueel einddoel, zoals dat voor Mondriaan misschien nog het geval was, maar ook bij hem zie je hoe New York een verhaal binnen zijn oeuvre wordt. Deze kosmo-culturele stijl is het nieuwe modernisme dat de niet –Westerse moderne kunst uit de fuik van de etnografie en de antropologie trekt. Maar het dreigt een nieuwe mode te worden. Die mode wordt uitgedragen door het cordon sanitaire van hoogopgeleide curatoren rond het wereldwijde netwerk van biënnales en drukt zijn stempel op de postacademische opleidingen zoals de Rijksakademie in Amsterdam. Het kan dus een academisme worden. Het kan daardoor ook te cerebraal worden zoals bij het hierboven besproken werk van Tintin Wulia, hoewel in dat werk het pregnante beeld de kunstenares behoedt voor een academische verhandeling.

Ad. 2 Kunstenaars kunnen dit nieuwe academisme bestrijden door hun werk te blijven voeden met hun eigen culturele verhalen. In Nederland is dat overduidelijk het koloniale verleden dat het frame was voor dit koneksiproject. Daarbij is, zo bleek uit het gesprek, voor de kunstenaars het proces van het maken van het werk belangrijk. Iben en Kaleb moesten strategieën ontwikkelen om de vijandige Atjeh bewoners over de streep te trekken, Tjong moest dat met de jonge Indonesiërs doen. Zij waren vreemden in de werkomgeving. Het werk is dus in zoverre niet ‘autonoom’ dat het ook een verslag is van het proces van het maken.

Ad. 3 Het bijzondere van dit spoorzoeken naar de verdwenen (eigen) geschiedenissen is dat het gaat om psychisch verdrongen en vaak ook feitelijk verstopte beelden, of het nu betreft koloniale of post-koloniale oorlogen in een ver verleden of een bloedige burgeroorlog in Indonesië een halve eeuw geleden. Het beeld heeft in onze tijd zijn heiligheid verloren. Het is een voor iedereen beschikbaar gebruiksvoorwerp dat met een duizelingwekkende omloopsnelheid op de vuilnisbelt van You Tube (laten we die voortaan de ‘beeldenbelt’ noemen) verdwijnt. Maar de beelden uit de ‘oude tijd’ of beelden die toebehoren aan een vreemde samenleving moeten veroverd en als een edel metaal gewonnen worden. Zo creëren beeldende kunstenaars hun eigen beeldschaarste. Hun werk is een beeld ‘om bij stil te staan’. Dat hebben beeldende kunstenaars door de eeuwen heen gedaan.

De bijzonderheid van het Nederlandse koloniale en post-koloniale verhaal is, dat het in Nederland altijd is genegeerd. Het heeft in het Rijksmuseum geen plaats gekregen. Het Stedelijk heeft aan deze periode nauwelijks aandacht besteed. Het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam (SMBA) heeft er de laatste jaren wel veel aan gedaan. De leiding van het Stedelijk heeft dat Bureau echter dit jaar zonder opgave van duidelijke redenen gesloten. Er zal wel iets nieuws komen werd erbij gezegd, maar wat? Daarover is advies gevraagd aan externe deskundigen want het museum weet het zelf niet.

 

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.