Waar zijn de werken op papier in de Nederlandse musea gebleven? De Albertina in Wenen toont ze nog.

Daumier

Daumier

In het Albertinamuseum in Wenen was tot 3 mei een opmerkelijke tentoonstelling te zien van werken op papier. Kom daar in het Rijksmuseum of het Stedelijk museum nog eens om. Geen prentenkabinet meer te vinden. In het Albertina bood ‘Het Archief van de dromen’ een selectie van het beste wat aan werken op papier in het gecombineerde archief van het Louvre en musée Orsay is te vinden (waar de tentoonstelling vorig jaar in iets andere samenstelling te zien was). De tentoonstelling werd gemaakt door de oud-directeur van Centre Pompidou, de Duitse kunsthistoricus Werner Spies (niet te verwarren met de in WO II getorpedeerde Balischilder Walter Spies). Je liep van de ene droom in de ander.

In de fraaie catalogus mogen kunstenaars van vandaag op de werken reageren, maar ook

Erik Satie door Paul Signac

Erik Satie door Paul Signac

zonder die commentaren zijn de tekeningen en aquarellen van deze tijd. De beeldende kunst begint bij de tekening; potlood, krijt of inkt: zij zijn de röntgenfoto’s van het scheppingsproces. Dan komt de aquarel, de nog niet gestolde vorm. Tekening en aquarel missen de ‘openbaarheid’ en het theatrale effect van het schilderij. Zij zijn een privédialoog van de kunstenaar met zich zelf, onaf, eerlijk en twijfelend. Daarom blijven zij leven. Uit de reeks portretten kies ik hier dat van de componist Erik Satie door de pointillist Paul Signac. Schilder en componist zijn beiden jong. Satie is lid van de Rozenkruizers en bevindt zich nog in symbolisch-mythische fase. Hij componeerde in die tijd de ‘Ogives’ en ‘Gymnopédies’ geïnspireerd op de sfeer van de kerk. We zien van de Italiaan Segantini op een kleurpotloodtekening boeren in de avondlijke schemering korenschoven wegslepen. De schrijver Martin Walser commentarieert: Als ik schilder zou zijn zou ik weigeren

Boeren op het land door Segentini

Boeren op het land door Segentini

beelden met verf te schilderen. Alleen met potlood en houtskool zou ik kunnen schilderen. De Franse Oriëntalist Gérôme maakt een aquarel van de mediterende dichter Dante, wiens meditatie in de gedempte kleuren uitstraalt over de personen afgebeeld in het weideland buiten de stadsmuren. In olieverf zou de geestelijke component van de afbeelding zijn weggedrukt. De Franse schrijver Michel Butor overpeinst bij de potloodtekening ‘De

Dante door Gérôme

Dante door Gérôme

vriendelijke spin’ van Odile Redon: ‘We hebben acht pootjes, zoals jullie goden acht armpjes hebben.’ Het dierlijke spinnenbewustzijn wordt ons aanschouwelijke gemaakt.

Odile Redon

Odile Redon

Degas bereikt in de donkere pasteltechniek bij de badende vrouwen een grotere intimiteit dan bij zijn schilderijen. William Kentridge (in wezen ook een tekenaar) matcht dat in de catalogus met eigen uit de badkamer gestolen beelden. En ook de dansende Salomé van Gustave Moreau is in de aquatint/aquarel versie een dans waar je bij bent, terwijl het op de geschilderde versie een toneelvoorstelling ver weg is. De aquarel/tekening door Daumier van de strafpleiter (afgebeeld bij de titel van dit stuk) is eigenlijk het beste wat ik ooit van hem gezien heb.

Degas

Degas

Kentridge

Kentridge

 

 

 

 

 

 

 

 

Salomé van Moreau

Salomé van Moreau

 

Maar goed: ik houd er over op en kom tot de vraag.

Waarom hebben het Stedelijk Museum en het Rijksmuseum die over schitterende collecties werken op papier beschikken (die van het Rijksmuseum kan zich meten met die van de Albertina en is internationaler dan de vanuit een nationalistisch perspectief gepresenteerde schilderijencollectie waar de drommen toeristen langs worden gejaagd) geen behoorlijke ruimten meer voor het tonen van die collecties, in plaats van in de marge van de schilderijenpresentatie? In het oude Stedelijk was bij de opgang van de trap het prentenkabinet een verplichte stop. Nu ligt deze trap er doelloos bij alsof wij ons in een opgegraven Incatempel bevinden. Het prentenkabinet is architectonisch weggesaneerd. Werken op papier zijn nog wel eens aanvullend bij de schilderijen op zaal te zien. Voor de verbouwing beschikte het Rijks in de Westvleugel over een uitgebreid prentenkabinet waar belangwekkende tentoonstellingen werden geprogrammeerd. Het is weg en in de nieuwbouw niet teruggekomen. Er zijn aanvullend op de schilderijenpresentatie wat ‘cornertjes’ ingericht, als om te benadrukken dat de collectie werken op papier geen zelfstandige status heeft.

Het onzichtbaar maken van de collectie op papier past in de trend om beeldende kunst een te delen vrije tijdservaring te maken in plaats van een moment van persoonlijke contemplatie. Daar hoort openbaar theater bij en niet de intieme beeldende overpeinzingen van de kunstenaar. Het verwijdert ons steeds verder van de oorsprong van het scheppende moment van de kunstenaar.

Maar het hoeft dus niet. Het Albertina dat een van de attracties is van een toeristisch bezoek aan Wenen, heeft zichzelf gemoderniseerd en publieksgerichter gemaakt, zonder het zelfstandige belang van de werken op papier prijs te geven. De grafische verzameling wordt rechtstreeks op de site ontsloten. Er zijn expositieruimten voor werken op papier. Beide ontbreken bij het Rijks.  Waarom kan zoiets niet aan het Museumplein? We hadden daar vroeger een privémuseum Overholland waar uitsluitend werken op papier werden getoond. Waarom maken Van Gogh, Rijks en Stedelijk niet een gezamenlijke presentatieruimte in een van de musea voor hun collecties op papier? Dat lijkt mij nuttiger dan die wel bijzonder korte 20e eeuw op de bovenverdieping van het Rijksmuseum, niet echt een publieksknaller, dus meer een plek om uit te rusten van de massa’s in de benedenzalen.

Ik verwijs nog naar eerdere blogs over de dysnifcatie van de kunst en de gele smartlappen van Alain de Botton in het Rijksmuseum: http://www.egbertdommering.nl/?p=550 en http://www.egbertdommering.nl/?p=596

Dit bericht is geplaatst in Essays. Bookmark de permalink.