De foto van Katrijn Van Giel van de Belgische politicus Jean-Marie Dedecker en het schilderij A Belgian politician van Luc Tuymans in debat bij de KNAW op 19 februari 2015

Tuymans heeft voor het door hem in 2011 gemaakte schilderij ‘A Belgian Politician’ dat zich in een particuliere Amerikaanse verzameling bevindt de in 2010 door Katrijn van Giel  van de politicus Jean-Marie Dedecker gemaakte foto nageschilderd zonder dat erbij te vermelden. Hij is door een Belgische rechter veroordeeld voor plagiaat. Dezelfde discussie speelde eerder bij het werk van Marlene Dumas (zie mijn blog van 18 september 2014, http://www.egbertdommering.nl/?p=619).

Tuymans en Van Giel

Tuymans (rechts) en Van Giel (links)

Ann Demeester die ook sprak en artistiek aan de kant van Tuymans staat,  noemde het een ‘afrekening’ die je moet plaatsen binnen de gespannen Belgische verhoudingen. De krant De Standaard had triomf gekraaid bij het vonnis. Dat moge zo zijn het is en blijft  inderdaad een geval van letterlijk naschilderen, omdat de details en de compositie van de foto nauwkeurig zijn overgenomen, zelfs de afsnijding van het gelaat. Tuymans gebruikt dus schaamteloos de originele expressie van Van Giel die door de bijzondere keuze en uitvergroting in de foto de politicus ‘die peentjes zweet’ vastlegt (er zijn duidelijk op de foto zweetpareltjes op zijn voorhoofd zichtbaar). ‘Mooi getroffen’, moet Tuymans hebben gedacht, ‘dat kan ik ook goed gebruiken’, en hij neemt in zijn schilderij de zweetpareltjes mee. Op het door de Nederlandse KNAW en het Platform Beeldende Kunst georganiseerde forum, hadden de auteursrechtspecialisten achter de tafel (Bernt Hugenholtz, hoogleraar auteursrecht aan de UvA en de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, Feer Verkade) geen twijfel en die was er eigenlijk ook niet bij de auteursrechtspecialisten in de zaal (waaronder ikzelf, zie ook mijn commentaar in de Volkskrant van 22 januari j.l.). Anders dan door sommige commentatoren wordt aangenomen, maakt het niet uit dat Tuymans in een ander medium dan de foto werkt. Ann Demeester probeerde nog een ‘ontologische’ kwestie aan de orde te stellen, omdat de schilderkunst van Tuymans op een heel eigen manier het thema van de Belgische politicus neerzet. Daarin is hij ongetwijfeld markant en origineel, maar daar gaat het bij plagiaat niet om, omdat hij daarbij (alleen in dit schilderij?) gebruik maakt van een foto die dat ook doet en op zich zelf ook origineel is. Bovendien, zoals Feer Verkade fijntjes opmerkte, plagiaat is een ruimer begrip dan een verboden verveelvoudiging van een auteursrechtelijk werk: het is ‘pronken met de veren van een ander’. Als je in de wetenschap een auteursrechtelijk niet beschermd idee zonder bronvermelding pikt, is dat wetenschappelijk onethisch. Er zijn wel mogelijkheden tot vrij gebruik zonder toestemming. Dat is bij voorbeeld bij nabootsing van de stijl en/of onderwerp  of met beeldcitaten het geval. Ook hier wordt wel eens op de rand geopereerd. Leunde  Manet bij het schilderen van de fusillering  van keizer Maximiliaan in Mexico niet iets teveel op de Tres de Mayo van zijn grote voorbeeld Goya? Een recent geval dat mij

Tres de Mayo Goya

Tres de Mayo Goya

Fusillering Maximiliaan Manet

Fusillering Maximiliaan Manet

Semah 1983

Semah 1983

onder ogen kwam zijn de liggende wolven met riemen van Joseph Semah uit de jaren tachtig en die uit de jaren negentig van Mark Manders. Hier zijn de marges toch ruimer (er wordt in de kunst nu eenmaal veel ontleend aan grote voorgangers), maar ook dan geldt: het citaat moet wel duidelijk maken van wie je het hebt, net als in de wetenschap. Er is nog een andere vorm van vrij gebruik en dat is de parodie. Hier kunnen heel veel elementen uit het origineel worden nagebootst (voor een geslaagde parodie is dat zelfs wenselijk), maar voor het publiek is meteen duidelijk dat het om iets anders gaat, omdat het parodiërende oogmerk er duidelijk uit spreekt. De Belgische advocaat van Tuymans had zich hier op beroepen, maar zonder succes. Alweer terecht, zeiden de auteursrechtspecialisten in de zaal. Dit schilderij is helemaal geen parodie of het gebruikt klakkeloos het parodiërend element dat al in de foto aanwezig was: ook parodieën kun je plagiëren. Unanieme kritiek was er op het verbod

Manders 1994

Manders 1994

met de torenhoge dwangsom. Moet die verzamelaar het schilderij nu wit laten schilderen, omdat hij er niet meer naar mag kijken? Een schadevergoeding (bijvoorbeeld een kleine winstafdracht in verband met het profijt dat Tuymans van de foto heeft gehad) en een gebod de bronvermelding in de titel op te nemen, had kunnen volstaan en daar zal het in hoger beroep ook wel op uitdraaien. Maar de kunstenaars achter de tafel: Barbara Visser die tegenwoordig de scepter zwaait bij de kunsten in de KNAW en Arnoud Holleman, die ook sprak, waren het er niet mee eens. Op al het (digitale) beeld in de wereld zit wel auteursrecht, dit vonnis maakt het werken voor een beeldend kunstenaar erg moeilijk. Wie een beeld maakt moet maar accepteren dat het onderdeel wordt van de zintuiglijk waarneembare wereld die ons publiek domein is. Beeldende kunstenaars transformeren die wereld tot hun eigen artistieke werkelijkheid. Daar is iets tegen en iets voor te zeggen. Wat er tegen is,  is dat fotografen pas later in het auteursrecht zijn toegelaten. Ze hebben er voor moeten vechten om een foto als een eigen creatie beschermd te krijgen. En het speelde al eerder bij de grafiek. De bekende Engelse graficus uit de 18e eeuw Hogarth heeft een wet uitgelokt die zijn naam draagt waarin het auteursrecht van de graficus wordt erkend. Dat maakte een eind aan de praktijk dat spionnen in zijn atelier naar binnen gluurden en van de ‘afgekeken’ etsen slechte nabootsingen op de markt brachten nog voordat zij het atelier van Hogarth hadden verlaten. En omgekeerd probeerden schilders het grafisch nabootsen van hun schilderijen tegen te gaan, toen in de 19e eeuw de grafiek populair werd. En bronvermelding! Op een grafische nabootsing van een schilderij staat sindsdien: ‘X pinxit. Y fecit’.  Maar er is ook iets voor te zeggen. Zijn er niet meer criteria om de artistieke zelfstandigheid van een werk te beoordelen, dan de parodie die op de spot is toegesneden? Bernt Hugenholtz noemde een uitspraak van het de Duitse hoogste rechter uit 2003. Deze besliste toen dat een werk ook een eigen scheppende karakter kan hebben als het ten opzichte van het werk waaraan het ontleent een duidelijke innerlijke afstand behoudt waardoor dat oudere werk in het nieuwe ‘verbleekt’. Iets dergelijks zou juridische inhoud kunnen geven aan de ‘transformatie’ waarop Holleman doelde. Ik denk dat Tuymans ook volgens dit criterium te dicht bij de foto zit, maar goed. En wat is er op tegen om de oude regel uit de grafiek van de 19e eeuw ‘X pinxit, Y fecit’  in het digitale tijdperk  een nieuw leven in te blazen? Want zoals Verkade opmerkte: het gaat bij plagiaat tot vooral om de morele schade dat de bron niet wordt vermeld.

Sarah Johanna Eskens (onderzoeksmaster Instituut voor informatierecht) schrijft op 26 februari:

Leuke blog. Als een werk “transformative” is, is dit binnen de Amerikaanse fair use doctrine een belangrijk argument om het nieuwe werk als fair use te kwalificeren. Binnen het Amerikaanse recht is de “fair use’ doctrine een wettelijk vastgelegde beperking op de exclusieve rechten van de auteur. Als een kunstenaar een werk van een ander gebruikt in zijn eigen werk en daarmee duidelijk inbreuk maakt, dan levert de inbreuk geen claim op wanneer sprake is van fair use. De Copyright Act noemt vier factoren aan de hand waarvan rechters moeten vaststellen of er sprake is van fair use. In de rechtspraak heeft zich de regel ontwikkeld dat de vraag of er sprake is van een “transformative” werk van invloed is op de weging van al deze vier factoren. Het is een sterke aanwijzing dat de rechter tot fair use zal concluderen.

Dat lijkt me dus een goed criterium. Daarnaast snap ik echter niet waarom dit een discussie tussen juristen en kunstenaars is. Het gaat toch om de ene kunstenaar tegenover de andere kunstenaar, waarbij de een blij is met de rechten die de wet hem toekent, en de ander het stom vindt dat die persoon van deze rechten gebruik maakt. Waar zijn de andere Katrijn van Giels in deze discussie? (waarschijnlijk schamen zij zich een beetje, en houden ze daarom hun mond…).

Egbert antwoordt op 2 maart:

Beste Sarah,

Bedank voor je reactie. Ik denk dat de kans groot is dat ook een Amerikaanse rechter die fair use toepast zal vinden dat het schilderij van Tuymans te dicht op de foto van Van Giel zit. Een van de beroemdste Amerikaanse plagiaat zaken is die van Jeff Koons die voor een beeld een foto gebruikte. Aan dat beeld dat hij in een oplage van drie verkocht verdiende hij $375.000.  De fotograaf die er bij toeval achter kwam, liep naar de rechter. Koons voerde in de zaak (Rogers vs. Koons) het fair use verweer (in het bijzonder met een beroep op parodie), maar hij werd in 1990 door een federale rechter toch veroordeeld voor plagiaat en dat lijkt mij terecht als je naar de twee afbeeldingen kijkt.

 

Koos (beeld vs Rogers (foto)

Koons (beeld) vs Rogers (foto)

 

Interessant is je opmerking dat het een discussie tussen kunstenaars moet zijn. Ik weet niet wat er aan de procedure tussen Van Giel en Tuymans vooraf is gegaan. Uit de reacties in het openbaar van de laatste, heb ik niet de indruk dat hij erg open stond voor discussie. Ik proefde daarin het dedain van de kunstenaar die met de kwast de ‘hoogste’ kunst van het individuele schilderij beoefent, en daarom al het lager ingeschaalde auteursrechtelijke werk dat reproduceerbaar is, vrij mag gebruiken. Bovendien is er nog een derde partij en dat is het publiek. Toen ik me naar aanleiding van het debat over het gebruik van foto’s door Marlene Dumas in haar werk verdiepte, voelde ik mij een beetje belazerd toen ik het schaamteloze gebruik van de foto van de weduwe Lumumba  voor een identiek schilderij ontdekte (zie mijn blog   http://www.egbertdommering.nl/?m=201409). Is het misschien het begin van de opstand van de fotografen tegen de schilders?

Dit bericht is geplaatst in Essays, Kunstenaars. Bookmark de permalink.