‘Les magiciens de la terre’ 25 jaar later in het Pompidou en How Far, How Near in het Stedelijk (tot 1 februari)

Rond de vorige eeuwwisseling gingen Westerse kunstenaars ‘primitieve’ culturen in hun werk opnemen. ‘Primitivisme’ gaf rechtstreeks toegang tot de onbewuste lagen van de geest, het verborgen kind, maar ook de waanzin. In deze periode ontstond ook de belangstelling voor het werk van geestelijk gestoorden (‘art brut’) en in hun geestelijke ontwikkeling geremde of afwijkende kunstenaars (‘naïeve kunst’). Het werd voor moderne verzamelaars ‘bon ton’ om Afrikaanse of Oceanische maskers als esthetische objecten in hun moderne verzameling op te nemen. Zij stelden die op naast de door deze culturen geïnspireerde ‘primitieve’ schilderijen van bijvoorbeeld Picasso, Emil Nolde of Otto Mueller.

Tentoonstellingsbeeld Magiciens 1989

Tentoonstellingsbeeld Magiciens 1989

De Amerikaanse filosoof Arthur Danto heeft zich wel eens met de vraag bezig gehouden of het uitstallen van artefacten uit andere culturen wel ‘kunst’ oplevert. Is het niet eigenlijk etnografica? Ik heb een tijd geleden aan een verzamelaar van Cobrakunst, die in deze traditie ook dit soort maskers verzamelde, gevraagd wat het criterium was om het ene masker boven het andere te verkiezen. Hij antwoordde dat ze daadwerkelijk in een cultus moesten zijn gebruikt. Pas dan waren ze ‘echt’. Dat betekent dus dat een etnografische norm werd gebruikt om een object te selecteren dat voldeed aan de (toenmalige) esthetische Westerse smaak, een ingebakken waardenconflict dus. Los van deze moderne mode, gingen de ‘mooie’ cultusobjecten en gebruiksvoorwerpen in beginsel toch naar de (koloniale) musea voor Etnografica. Maar het parallelle niet-koloniale circuit ontwikkelde zich verder. Het MoMa in New York organiseerde in 1984 een geruchtmakende tentoonstelling Primitivism in 20th Century Art. In het persbericht dat de tentoonstelling begeleidde stond: ‘This is the First exhibition to juxtapose tribal and modern objects in the light of informed art history.’ Vooral dat laatste trekt de aandacht: de goed geïnformeerde Westerse kunsthistoricus weet dat die twee bij elkaar horen.

De eerste tentoonstelling waarin werd geprobeerd de niet-Westerse kunst van haar

Affiche 1919 Uitverkoop linnengoed bij de Bijenkorf

Affiche 1919 Uitverkoop linnengoed bij de Bijenkorf

etnografische referentiekader te verlossen was de in Parijs in 1989 georganiseerde tentoonstelling Les magiciens de la terre. De term ‘magicien’ stond voor kunstenaars die binnen hun cultuur een eigen pad waren gegaan: de confrontatie was gericht op het tonen van het verschil, niet op het herijken van die praktijken volgens een Westerse waardeschaal. Zo werd Joseph Beuys bij wijze van spreken een in het Westen verdwaalde Tibetaanse monnik. Deze tentoonstelling heeft de agenda gezet waarbij de ‘primitieve’ kunst niet langer de bijwagen van het Westerse modernisme was. Afrikaanse, Aziatische en Zuid-Amerikaanse kunst kregen een gelijkwaardige plaats. Daarbij kwam ook de politieke context van het kolonialisme op de voorgrond. Sindsdien was de agenda van de musea voor moderne kunst postkoloniaal. Het Pompidou wijdde deze zomer een kleine herinneringstentoonstelling aan deze mijlpaal, maar deed meer. Het liet (en laat nog steeds) in een gloednieuwe collectiepresentatie zien hoe zij de eigen collectie nadien heeft uitgebouwd. Daarin wordt overtuigend aangetoond hoezeer de Magicien agendabepalend is geweest voor het aankoopbeleid.

Toevallig organiseert het Stedelijk in deze periode (nog te zien tot 1 februari) de aan de aandacht van de critici ontsnapte tentoonstelling How Far, How Near, Global

Affiche Sandberg tentoonstelling Stedelijk

Affiche Sandberg tentoonstelling Stedelijk

Collaborations, dat de vraag aan de orde stelt hoe het Stedelijk in haar collectie uitbreiding met deze thematiek is omgegaan. Ik citeer uit het verhelderende tentoonstellingsboekje, dat vermeldt dat de verwerving van enige werken van Afrikaanse kunstenaars de aanleiding voor de tentoonstelling is: ‘Zij staan centraal in deze expositie met als uitgangspunt de prangende vraag: waarom was het collectie- en tentoonstellingsbeleid van het museum voorheen zo geografisch beperkt?’ Inderdaad, de collectievorming en collectiepresentatie van het Stedelijk is nog steeds grotendeel bepaald door de canon van het Westerse modernisme. Het tentoonstellingsboekje stelt dat het deel niet-Westerse kunstenaars in het Stedelijk marginaal is. Het boekje stelt vergoelijkend dat het allemaal nog een vrij jong verschijnsel is, maar wie naar de collectiepresentatie van het Pompidou gaat kijken, kan zien hoe het Stedelijk achterop is geraakt. En dat nota bene in een stad waar met de aanwezigheid van de Rijksakademie een constante stroom van de top van de jonge kunstenaars uit alle werelddelen is te vinden. Toch was Sandberg ook hier een voorloper, omdat hij als een van de eersten door andere culturen reisde en er niet met etnografische, maar moderne ogen naar keek. Zijn eerste aankopen staan nog in de traditie van het primitivisme van de Afrikaanse maskers, maar hij gaf ze al een volwaardige plaats, lang voordat MoMa met de naast elkaar plaatsing van ‘modern’ en ‘tribaal’ het licht had gezien. Onder De Wilde nam het Amerikaanse Abstracte Expressionisme de overhand, dat nog steeds het model voor de collectiepresentatie is. Pas onder Beeren zou dat beeld worden bijgesteld. De tentoonstelling toont een aantal opmerkelijke recente aankopen. Ik vermeld de in 2013 verworven video installatie van Godfried Donkor (Ghana 1964), The Currency of Ntoma, dat het verhaal vertelt van de Afrikaanse recycling (herijking in de eigen cultuur) van in Nederland ontworpen batikdoeken. Donkor heeft ook een behangontwerp gemaakt waarin toeristische en anti-apartheidsposters uit de collectie posters van het Stedelijk zijn verwerkt.

Godfried Donkor Behang 2014

Godfried Donkor Behang 2014

De tentoonstelling in het Stedelijk is een uitvloeisel van een al langer lopend postkoloniaal programma in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam onder leiding van Jelle Bouwhuis die ook deze tentoonstelling maakte. Van dit Project 1975 (Contemporary Art and Postcolonial Unconscious) is inmiddels een publicatie verschenen.

Het is te hopen dat het niet bij deze eenmalige kleine tentoonstelling zal blijven en dat het Stedelijk in de collectiepresentatie meer ruimte zal inbouwen voor de post Magiciens de la Terre agenda. Bijvoorbeeld door het onevenredige ruimtebeslag voor toegepaste kunst in de huidige opstelling  tot normale proporties terug te brengen en meer ruimte te scheppen voor variatie  in de kunstopstelling (‘artefacten’ in ruilen voor ‘art’, om met Danto te spreken).

 

Godfried Donkor The currency of Ntoma 2012

Godfried Donkor The currency of Ntoma 2012

Geraadpleegde literatuur

Arthur C. Danto, ‘Art and Artifact in Africa’, in: Beyond the Brillobox, the visual arts in post-historical perspective, New York: Farber, Straus &Giroux 1992, p. 89-112.

Susan Hiller (ed.), The Myth of Primitivism, Perspectives on Art, London & New York: Routledge 1991.

Colin Rhodes, Primitivism and Modern Art, London: Thames and Hudson 1994

Jelle Bouwhuis (red.), How Far, how near, global collaborations, Amsterdam: Stedelijk Museum 2014.

Jelle Bouwhuis & Kerstin Winking (eds.), Project 1975 (Contemporary Art and Postcolonial Unconscious), London: Black Dog Publishing 2014.

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Essays, Recensies. Bookmark de permalink.