Who is afraid of red, yellow and blue terug op zaal in het Stedelijk: de historische verdringing

Het schilderij Red, Yellow and Blue (RYB) van Barnett Newman is uit het depot van het Stedelijk  gehaald en het is omgeven door publiciteit van hetzelfde Stedelijk vanaf 24 april ‘op zaal’ te zien. Het programma Kunstuur van de AVRO van zondag 20 april deed er uitvoerig verslag over. Het gaat om de versie uit 1967, verworven door de toenmalige directeur van het Stedelijk, Edy de Wilde. Het werd in 1986 geattaqueerd met een stanley mes door de kunstvandaal Gerard van Bladeren.

RYB total loss

RYB total loss

 

Er zaten enorme horizontale japen in het schilderij. Het Stedelijk liet het restaureren door de Amerikaan Daniel Goldreyer, naar verluidt voor een fee van $ 400.000. Hij deed dat door op het door sneden gehavende doek twee vernislagen te schilderen. Voor rood was hij niet bang, want hij leverde het af met drie verse egale lagen rood. Keihard, zonder de nuances van de zoekende penseel van de schilder. Het werd een rode loper, zonder de complexiteit van de subliem-religieuze abstractie van de schilder die zich met zijn kleurvlakken waarin een werveling zichtbaar is een afbeelding van de eeuwigheid waande. De discussies over deze ‘restauratie’ waren zodanig dat Goldreyer een procedure tegen de gemeente Amsterdam begon wegens reputatiebeschadiging. Dat werd geschikt, maar het schilderij verdween naar de opslag. Nu komt het dus terug in de openbaarheid.  In 1997 herhaalde dezelfde dader de operatie met het mes bij een ander werk van Newman dat het Stedelijk bezit: Cathedra, een kleurvlak in weelderig paars-blauw met een witte lijn in het midden. Dit schilderij werd intern gerestaureerd met behoud van het weelderige paars-blauwe vlak. Het was eerder op zaal, omgeven door een onvriendelijk hek om de messen op afstand te houden.

Cathedra na de aanval

Cathedra na de aanval

De presentatie van het Stedelijk laat zich het best omschrijven als een historisch verdringingsproces. Dat heeft twee kanten. De eerste kant is dat het verhaal over de restauratie van RYB niet volledig wordt verteld. De tweede kant is de verzwijging van de ongure publieke discussie die is gevoerd na de tweede beschadiging van Cathedra, maar die ook al aanwezig was bij RYB.

De eerste punt is eenvoudig waarneembaar: het schilderij heeft niets meer met het origineel te maken. Het is een noodgreep van de restaurator die zich realiseerde dat het schilderij was, wat verzekeraars noemen, total loss, onherstelbaar beschadigd. Als je het schilderij nu laat zien moet je dat toegeven. Waarom is er niet geprobeerd om een virtuele reconstructie van het origineel te maken met behulp van digitale technieken? Dat moet toch mogelijk zijn. Het Stedelijk zal zeggen dat op zaal verslag wordt gedaan van de gebeurtenissen. Niet wordt verteld dat de Gemeente de deskundigenrapporten die tot de conclusie voeren dat de restauratie het schilderij heeft vernield meer dan 25 jaar onder de pet heeft gehouden, en pas na een door Jhim Lamoree gevoerde Wob procedure op last van de Raad van State openbaar heeft gemaakt. In de vitrine met krantenknipsels bij de ingang die je pas kan vinden als je aan het informatieloket hebt gevraagd waar die staat, zijn na lang puzzelen twee minuscule, gedeeltelijk weggeschoven knipseltjes te vinden die daarvan verslag doen.  Maar wat meer is: wat vindt het Museum er anno 2014 nu zelf van? De informatieborden op de zaal nemen geen standpunt in. Vindt men nu ineens dat de deskundigen ongelijk hadden en vindt men dat het schilderij er eigenlijk wel mee door kan? Het is duidelijk: het museum kan de historische waarheid nog niet aan en kiest een ambivalente tussenweg.

Het tweede aspect is de verzwijging van de publieke discussie rond de beschadiging van Cathedra. Daarover is in geen enkele vitrine iets te vinden. Op zaal wordt melding gemaakt van de beschadiging, maar het tonen van RYB is kennelijk geen aanleiding geweest nu op dat punt vollediger informatie te verstrekken. Het was ongeveer als volgt: de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur schreef, na de tweede aanval op 25 november 1997 in de NRC:

‘Het is minstens ook een daad van verzet. Verzet tegen de soort abstracte kunst als die van Newman, verzet tegen de musea die het ophangen, verzet tegen de soort mensen die dit soort schilderijen komen bekijken. Dat dit zo is, blijkt ook uit het feit dat Van B in 1986 een aanslag pleegde op een ander schilderij van Newman nadat hij een essay van Carel Willink had gelezen waarin deze de abstracte schilderkunst aanviel.’

Maar ook  een critica als Anna Tilroe scheerde over de afgrond. Zij schreef op dezelfde dag in de NRC:

‘De klacht is oud..Dat wat in musea hangt, in de concertzalen wordt uitgevoerd en in de kleine theaters wordt gespeeld is in eerste instantie geselecteerd door een betrekkelijk kleine groep en richt zich daarop.’

Ik was werkelijk zo woedend over deze reacties dat ik er toen stelling tegen heb genomen in de NRC van 29 november 1997. Ik citeer:

‘Cliteurs bijdrage is, zelfs als men die opvat als een boutade (maar dan wel een op het verkeerde moment), op niets anders gebaseerd dan zijn waardeoordeel over de abstracte kunst. Iedereen zij zijn subjectieve voorkeuren gegund, maar er is onder kunsthistorici toch wel consensus dat Newman een belangrijke vertegen­woordiger is van de Amerikaanse variant van het modernisme. Het is ook onzin om te beweren dat zijn werk louter idee is en dat van Rembrandt niet. Ieder werk van beeldende kunst is idee en uitdrukking tegelijk, en het werk dat in de geschiedenis komt boven drijven ontleent die drijfkracht aan de waarde en de betekenis die een cultuur er achteraf aan toekent. Wie een kunstwerk aantast, vernietigt dus tevens een culturele waarde. Daarom zou die aantasting een ernstiger misdrijf moeten zijn dan het stukslaan van een tramhuisje. Het tentoonstellen van een beschadigd werk beschouw ik, anders dan Cliteur, niet als een waardevermeerdering, maar als een cultureel bankroet.

Tilroe meent dat moderne kunst elitekunst is en steeds onbereikbaarder is gewor­den voor het brede publiek. Er is inderdaad te veel esoterisch gedoe in de moder­ne beeldende kunst. Daar is gedeeltelijk iets aan te doen door de opvattingen en attitudes van de dragende elite aan een kritisch openbaar debat te onderwerpen. Maar elitair zal het wel blijven, zoals het dat altijd is geweest. Een cultuur wordt gedragen door elites, en als de vertegenwoordigers daarvan bij de aanslag op een kunstwerk in het openbaar getuigen dat zij een cultuur van stanleymessen over zichzelf heeft afgeroepen, is het snel met die cultuur gedaan. De uitspraak: “Als ik het woord cultuur hoor, grijp ik naar mijn revolver”, wordt, meen ik, aan Goebbels toege­schreven.’

Het Stedelijk meent nog steeds dat je de kunst van de 20e eeuw kunt presenteren als een autonome lijn naar de ultieme sublieme abstractie, zelfs als dat eindigt bij een egaal rode loper. En verdringt daarom de feiten.

RYB na de 'restauratie

RYB na de ‘restauratie

Geraadpleegde literatuur

Laurens Dhaenens & Hilde van Gelder, Kunstkritiek, Leuven: Uitgeverij Lanno 2010, p. 274-281. Hier zijn alle reacties op de aanslag op Cathedra te vinden.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.