De portretten van Adolf Loos en Karl Kraus in de Kokoschka tentoonstelling in Boymans Rotterdam (tot 19 januari 2014, daarna van 26 april-14 augustus in Museum Wolfsburg in Duitsland)

Kokoschka heeft veel portretten in Wenen geschilderd, waar hij af en aan ook heeft gewoond. Het was het Wenen van rond de Eerste Wereldoorlog. Twee van de bekendste portretten hangen in de tentoonstelling Mensen en Beesten in Rotterdam die zich tot deze categorieën binnen het oeuvre van de schilder beperkt. De beesten moesten er wel bij komen, omdat Boymans de gelukkige eigenaar is van het grote schilderij van de mandril in de Londense dierentuin dat Kokoschka in 1926 schilderde. Er hangt een indrukwekkende

Kokoschka zelfportret 1917

Kokoschka zelfportret 1917

reeks portretten, ook van zichzelf, die je zelden bij elkaar ziet. Dat is al een reden om de tentoonstelling te bezoeken (die ook overigens zeer de moeite waard is). Ik concentreer mij hier op twee portretten. Het gaat om dat van Adolf Loos (de architect) uit 1909 en van Karl Kraus (de satiricusschrijver) uit 1925. Beiden zijn sleutelfiguren in het opmerkelijke culturele ‘klimaat’ in die stad in de epoche rond de wereldoorlog.

 

 

Wenen rond de Eerste Wereldoorlog

In het nog altijd interessante Wittgenstein’s Vienna van Janik en Toulmin wordt het ‘zuiveringsproces’, als ik het zo mag noemen, ontleed dat kunst en wetenschap tot op de bodem stripte om het met eenvoudige heldere bouwstenen weer op te bouwen. De Wienerkreis (onder meer Otto Neurath) ontwikkelde het logisch positivisme met als een doel een strakke logische taal te ontwerpen die een zo exact mogelijk ‘beeld’ van de werkelijkheid opbouwde. Wittgenstein was er sterk door beïnvloed bij het schrijven van het Tractatus Logico-philosophicus van 1922 (van de eerste zin in deze verhandeling ‘Die Welt is Alles was der Fall ist’ tot de laatste ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen’ een rigoreus stripproces van taal en logica). De natuurkundige Ernst Mach voerde eenzelfde programma voor de ‘taal’ van de natuurkunde uit. Schoenberg ontwierp zijn twaalftoonsstelsel om tot de ‘ware’ muziektaal te komen. Freud en zijn kring ‘kleedden’ de Weense bourgeois van k. und k. (‘keizerlich und königlich’) Oostenrijk ‘uit’ tot het naakte driftleven. Taal was een aaneenschakeling van door driften gestuurde symbolische dromen, woordspelingen en ‘Fehlleistungen’. De toneelschrijver (medicus) Arthur Schnitzler deed dat in zijn toneelstuk Reigen, de rondedans van de seks van hoog tot laag in de samenleving. Adolf Loos predikte een architectuur die van alle overbodige ornamentiek was ontdaan (in het beroemd geworden essay ‘Ornament und Verbrechen’) en was teruggebracht tot de naakte functionaliteit. Het door hem ontworpen huis aan de Michaelisplatz in het centrum van Wenen tegenover de Hofburg is nog altijd met de strakke voorgevel (die alleen maar ‘voorgevel’ is) een uitroepteken te midden van alle ‘beklede’ architectuur waar Habsburgs Wenen voor stond (en nog altijd staat). Economen als Von Hayek met een radicale opvatting over de vrije markt en Schumpeter die kapitalistische cycli zag met ‘creatieve destructie’ passen eveneens in deze zucht tot zuivering.

De (toneel)schrijver Thomas Bernhard is een kind van deze traditie.

Karl Kraus

Kraus als orator

De centrale figuur is echter Karl Kraus waarin dit alles lijkt samen te komen. In 1899 stichtte hij het blad Die Fackel, dat hij gedurende 32 jaar met ongeveer 30.000 pagina’s volschreef, een ware blogger avant-la-lettre. Een heel klein deel daarvan kwam tot 1911 van anderen, aficionados zoals Adolf Loos, daarna was het helemaal een one man show. Het kwam niet dagelijks maar drie keer per week uit om het zegelrecht (dat de overheid toen nog van de pers hief) te omzeilen en het had als beginselverklaring: ‘Das politische Programm dieser Zeitung scheint somit dürftig; kein tönendes »Was wir bringen«, aber ein ehrliches »Was wir umbringen« hat sie sich als Leitwort gewählt.’: dus niet het televisieprogramma ‘wat draaien we er vandaag door’, maar ‘wie draaien we er vandaag door’. Het omhalen van autoriteiten, het militarisme van de Wereldoorlog, de misdrijven tegen de menselijkheid met de chemische wapens, het ontmaskeren van de valsheid, het weerleggen van de leugen: het hele schijngebouw van k.und k. Oostenrijk en de politieke orde van Europa en de wereld werd aan stukken gescheurd en in het vitriool van zijn niets ontziende sarcasmen opgelost. Week-in-week-uit, 32 jaar lang. De valsheid van de journalistiek aan wie politici leugens vertellen (door hem als de ‘oerleugen’ aangeduid) die ze vervolgens uit de media voor waar aannam, was stelselmatig zijn doelwit. Hij vergeleek daarbij de zinloze tierlantijnen in de kranten (zoals de door hem verfoeide feuilletons) met de door Loos verwenste ornamentiek in de architectuur: ‘Der Verschweinung des praktische Lebens durch das Ornament, wie sie der gute Adolf Loos nachweist, entspricht die Durchsetzung des Journalismus mit Geistelementen, die aber zu einer katastrophale Verwirrung führen musste.’ Hij deed dit in zijn beroemde essay tegen Heine (‘Heine und die Folge’ uit 1910) dat onlangs door de Amerikaanse succesauteur Jonathan Frantzen met de Krauskenner Paul Reitter (The Anti-journalist: Karl Kraus, 2008) in The Kraus project aan een boeiende close reading/vertaling in een eigentijdse context werd onderworpen.

Voor Kraus draaide het om de zuivering van de taal. Hij zocht daarin de grenzen op. Zoals Wittgenstein in zijn pas in 1953 gepubliceerde Philosophischen Untersuchungen terugkeerde van zijn geloof in een taal die het logische beeld van de werkelijkheid zou geven, zo liep Kraus voortdurende tegen de taalgrenzen aan van zijn eigenaardige rondspinnende Duits (dat hem overigens niet tot de meest toegankelijke auteur in het Duitse taalgebied maakt). Wittgenstein zegt in de Untersuchungen, waarin hij de taal terugbrengt tot spelen en puzzels, dat filosofie ‘de beheksing van het verstand door de taal’ is. Kraus noemt het een chimère, een dubbelzinnig droombeeld waarmee hij de waarheid trachtte te vinden, maar dat ons daarin door zijn aard nu juist voortdurend bedroog.

Kraus was in het Wenen van zijn tijd een fenomeen. Zijn Fackel bereikte de ongekende oplage van 30.000. Hij gaf regelmatig uitverkochte voordrachten in grote gehoorzalen waarin hij als een Bijbelse profeet het einde van de mensheid (onder de gelijknamige titel schreef hij een onspeelbaar toneelstuk tegen de Eerste Wereldoorlog) voorspelde. Canetti (aanvankelijk groot bewonderaar) beschrijft in het tweede deel van zijn autobiografie Die Fackel im Ohr een dergelijke bijeenkomst, waarin het publiek aan zijn lippen hangt, al weet wat er komen gaat zodat het in de loop van de ontvouwing van een bijtende volzin al begint te applaudisseren. Canetti’s boek heet ook naar het tijdschrift: pas door de Fackel is hij taal gaan horen, zeker ook door de voordracht. In het Gewissen der Worte karakteriseert  hij Kraus door ‘woordelijkheid’ en ‘ontzetting’ die uit zijn geschreven proza, maar bovenal in het door hem gesproken proza tot uitdrukking komen.  In het Gewissen zegt hij: ‘Man kan es nicht oft genug wiederholen: der wirkliche( … ) Karl Kraus (…) von dem man ergriffen und geschüttelt war, so dass man Jahren brauchte, um Kräfte zu sammlen um sich gegen ihn zu behaupten, war der Sprecher.’ De lezer kan zich er zelf van overtuigen bij de beluistering van de historische opnamen die op You Tube zijn te vinden en waarvan de links hieronder zijn afgedrukt.

De portretten

Adolf Loos door Kokoschka 1909

Adolf Loos door Kokoschka 1909

Hoe zijn deze mannen te portretteren? In een in 1910 in Die Fackel verschenen artikel van de Oostenrijkse kunstcriticus Tesar voert deze een fictief gesprek over het werk van Kokoschka, waarin hem de portretten het meest opvallen. K. maakt volgens T. geen naturalistische weergave van het zittende model, maar hij maakt van het model muziek die in zijn geest tot een lied is geworden dat hij schildert om het bij de beschouwer weer te laten klinken. Hij schildert niet de fysieke weergave van de persoon, maar de idee van de persoon. Bij Kokoschka is de omgeving waarin hij het portret schildert niet ‘een achtergrond’, maar een energieveld dat van de geschilderde persoon afstraalt (‘Der Raum als das Wirkungsfeld sämtlicher geistige Kräfte, nicht bloss jener, die den dreidimensionalen, den körperlichen, den sogenannten aüsserlichen Raum vermittelen’). In mijn woorden: het zijn geestelijke röntgenfoto’s. Bij het ‘indringende ‘ portret van Loos is dat goed te zien. Maar bij Kraus? De moeilijkheid van Kraus was het dat hij eigenlijk

Karl Kraus door Kokoschka 1925

Karl Kraus door Kokoschka 1925

‘ongrijpbaar’ was. Canetti was bij de eerste confrontatie tijdens de voordracht in Wenen niet alleen verpletterd door de stem, maar ook door de steeds wisselende gelaatsuitdrukkingen. Welke gelaatsuitdrukking, zou voor de schilder Kraus ‘zijn’? Kokoschka heeft hem twee keer geschilderd. Een keer aan het begin van de eeuw. Kraus hint naar dat verloren gegane portret in een van zijn glossen in Die Fackel dat er een portret van hem is geschilderd waarin zijn vrienden hem niet maar zijn vijanden hem wel zullen herkennen (mijn parafrase). Wij kennen alleen het portret uit 1925, kortweg in de catalogi aangeduid als Karl Kraus II. Is hij daar voor zijn vrienden of zijn vijanden geschilderd? Kraus heeft een vreemd zachtaardige uitdrukking  op zijn gezicht. Het schilderij is in kunstlicht geschilderd (links boven is een geel brandend peertje te zien), maar het licht dat het bleke gezicht uitstraalt lijkt van Kraus zelf te komen. Zijn iets te lange rechterarm hangt boven een tafel waarop wij de rode kaften van Die Fackel herkennen, die hij met de vrij neerhangende hand lijkt te openen. Zijn linker hand wijst ernaar op een manier waarop een stalmeester in het circus naar de uitgevoerde salto wijst. Enigszins afwezig kijkt Kraus als een profeet in de verte langs een in het lamplicht weerkaatste zwart-gele vlinder. Timms (p. 173-174) vertelt dat de vlinder voor Kraus een idyllische jeugdherinnering van kwetsbaarheid in een wereld van geweld en vernieling representeert. De vlinder op het schilderij staat voor aan de geest van de schrijver via de inhoud van Die Fackel ontsnapte fantasie. Kokoschka kende zoals blijkt uit zijn autobiografie de symbolische betekenis van de vlinder, omdat hij er een vlindergedicht van Kraus citeert. Hij heeft de ‘ongrijpbaarheid’ van Kraus voor vriend en vijand in het schilderij willen vangen.

Over die vlinder (dát het een vlinder is en waaróm het een vlinder is) zul je in de catalogi niets vinden. Sowieso is de begeleidende informatie over Kraus op de tentoonstelling erg summier. Een gemiste kans lijkt mij om een op You Tube beschikbaar geluidsfragment te laten horen. Maar Ok, de schilderijen hangen er tenminste.

Geraadpleegde literatuur:

Allan Janik & Stephen Toulmin, Wittgenstein’s Vienna, New York, Simon & Schluster (Touchstone Book) 1973.

Adolf Loos, Trotzdem, Wenen: Georg Prachner Verlag 1982 (ongewijzigde herdruk van 1931), waarin het essay ‘Ornament und Verbrechen’ is te vinden.

Elias Canetti, Die Fackel im Ohr, Lebensgeschichte 1921-1931, München/Wien: Carl Hanser Verlag 1980

Elias Canetti, Das Gewissen der Worte, München/Wien: Carl Hanser Verlag (Fischer Tagebuch) 1981

Edward Timms, Karl Kraus Apolyptical Satirist, The Post-War Crisis and the Rise of the Swatsika, New Haven/London: Yale University Press 2005.

http://corpus1.aac.ac.at/fackel/: de volledige gedigitaliseerde op jaargang en trefwoord doorzoekbare uitgave van Die Fackel, goed te raadplegen in combinatie met het boek van Edward Timms dat precieze vindplaatsen van passages in het blad geeft.

http://www.youtube.com/watch?v=ATRX52E4xI4 (Kraus leest ‘Reklamefahrten zu Hölle’)

Kraus leest Vakantierfolder voor de reis naar de hel

Kraus leest Vakantiefolder voor de reis naar de hel

http://www.youtube.com/watch?v=ACCf6YFmYTU (Kraus leest ‘Die Raben’ uit Die letzten Tagen der Menschheit)

Jonathan Frantzen m.m.v. Paul Reitter en Daniel Kehlmann, The Kraus project, London: Fourth Estate 2013. Let op: Niet de Nederlandse vertaling die niet de Duitse tekst bevat zoals de oorspronkelijke Engelse uitgave. Daardoor gaat zowel de pointe van Frantzen’s boek als van Kraus verloren.

Betrice von Bormann (red.), Oskar Kokoschka, Mensen en Beesten, Rotterdam: Museum Boymans Van Beuningen 2013.

Oskar Kokoschka 1886-1980, London: Tate Gallery 1986.

 

Dit bericht is geplaatst in Essays, Kunstenaars. Bookmark de permalink.