Salvador Dali en het culturele populisme

Het culturele populisme heeft in Nederland vaste voet aan de grond gekregen. Het omslagpunt lag al bij de zomertentoonstelling van vorig jaar (dit jaar herhaald) in het Gemeentemuseum in Den Haag waar gejureerde kunst in het museum te koop wordt aangeboden aan het brede publiek. Zalen vol. Leuk, ontzettend leuk.  De rampzalige tentoonstelling  ‘Ja natuurlijk’ in het GEM aldaar en de disneyficatie van het Rijksmuseum (zie mijn blog 30 mei 2013 over het begrip Disneyficatie van de kunst) mogen als de definitieve doorbraak gelden. ‘Hoge’ cultuur waar niet veel mensen op afkomen ‘heeft iets uit te leggen’ om met Jet Bussemaker te spreken, voordat er overheidsgeld naar toe kan. Alsof de natuurkundigen eerst het standaard model van de deeltjesfysica aan het brede publiek dat daar geen hol van begrijpt moeten uitleggen, voordat de bakken overheidsgeld voor onderzoek worden binnengereden. Daar gaat het dus niet om. ‘Hoge’ (moeilijke) cultuuruitingen zijn verdacht. En dat is de kern van het populisme waar inmiddels partijen als de PvdA en de VVD zich ook de vertolkers van mogen noemen. Dat betekent dat er gemengd moet worden, moeilijk en leuk door elkaar, liefst tegelijk zoals bij Pauw & Witteman. Dat is een goed moment om stil te staan bij ons bezoek aan de Dalí musea in Noord- Spanje afgelopen jaar. Dalí was een geraffineerde culturele populist.Spanje mei 2013_2058

 

Salvador Dalí is geboren en getogen in Catalunya in Spanje en hij heeft daar vanaf zijn zeventigste de regie in handen genomen om zijn nagedachtenis als beroemde schilder groots te vieren. Zijn geboortehuis ligt naast het ‘pittoreske’ kustplaatsje Cadaqués, welk

Cadaqués

Cadaqués

plaatsje op last van de schilder in de oorspronkelijke staat is geconserveerd. Het iets verder aan de kust gelegen ouderlijk huis is omgetoverd tot het gedroomde GEBOORTEHUIS dat de meester van een paddenstoelentoren heeft voorzien in de stijl van de modernistische Barcelonese architectuur rond de eeuwwisseling. Het is te bezichtigen door zeven personen tegelijk in scherpe time slots van vijftien minuten, die maanden van tevoren zijn volgeboekt. Het kasteeltje van Gala, de onbereikbare geliefde van de schilder, is makkelijker te bezichtigen. Dalí heeft het gekocht aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Het ligt zuidelijker dan Cadaqués in de buurt van de mooie stad Girona, in een streek die vergeven is van dit soort uit de middeleeuwen stammende slotjes. De nepromantiek lag hier dus voor het oprapen. Dalí woonde er niet zelf, maar kwam dagelijks bij de aanbedene op bezoek. Hij heeft er het decor gebouwd van de romantische opera die  zij er dagelijks opvoerden. Je kunt zien dat Dalí de toon heeft Spanje mei 2013_2034gezet van wat later ‘camp’ (de menging van high en low culture), pop art (vervanging van high door low culture), flowerpower en psychedelisch (subculturele fantastische vormen) zou worden, maar toen ‘surrealisme’ of kitsch heette. Net als Buñuel mengt hij het met traditionele Spaanse cultuurelementen (de pastoor, het stierengevecht, flamenco). Anders dan Warhol, die niet meer is dan de spiegel van de cultuur van zijn tijd, is Dalí romanticus, die ‘echt’ oud zet naast ‘kitsch’ oud (een badkamer met echte oude Florentijnse tegels en wulpse fantasie kranen). De salons hebben mengstijlen. De nu zo populaire Amsterdamse architect Wanders die zeer gewild is voor de inrichting van hotel lobbies, moet het kasteel van Gala hebben gezien en ervan hebben geleerd. Wanders is immers de meester stijlenmenger van deze tijd.

Spanje mei 2013_2056In Figuéras heeft de meester echt uitgepakt; het is na het Prado het populairste museum van Spanje. Het houdt het midden tussen een schatkamer van een kathedraal, de Efteling, een modern kermis spookhuis en een vernieuwd museum voor moderne kunst. Hier bevindt zich ook de grafzerk van de meester die inmiddels een echte graaf is geworden: ‘Marqués de Dalí de Púbol 1904-1989’ staat erop te lezen.Spanje mei 2013_2066

Het publiek loopt met open mond in het museum rond. De kamer van Mae West met een haard in de vorm van haar wijde neusvleugels en een divan in de vorm van haar wulpse mond (nadien vaak nagedaan), op de binnenplaats een cabriolet jaren twintig met op de motorkap een beeld van en vruchtbaarheidsgodin uit een of andere oude cultuur, een duistere schatkamer met glinsterende crucifixen, een gigantische zaal met een kitscherige muurschildering, die als ensemble beter is dan de ontvangsthal van het Stedelijk. Maar ook een onvergetelijk mooi portret van Picasso en Dalí’s schetsen van stierengevechten. En als je naar de theatrale opstelling van het staatsieportret van de jeugdige Spaanse koning Juan Carlos kijkt, denk je: Als je dat op de een Biënnale in Venetië in het Spaanse paviljoen zou hebben opgehangen, zou iedereen dat een f-a-n-t-a-s-t-i-s-c-h-e statement hebben gevonden.Spanje mei 2013_2074 Die gordijntjes!

Ik kan het bezoek aan de Dalí musea van harte aanbevelen aan de huidige museumdirecteuren in Nederland. Misschien kunnen ze er met steun van het Mondriaanfonds een leuke groepsreis van maken.

 

Boven Picasso, rechts koning Juan Carlos

Boven Picasso, rechts koning Juan Carlos

 

 

 

 

 

 

Naschrift 21 oktober 2013

Gerrit Jan Wolffensperger schrijft mij:

Ik heb je blog over Salvador Dali met veel plezier gelezen.
Ik vind het leuk om je te vertellen dat ik al 49 jaar geleden (!) bij toeval in Cadaqués terecht kwam, en daar sindsdien vrijwel jaarlijks ben geweest (het laatst jongstleden september).
En ja, ik heb Dali dus persoonlijk onmoet, en ben bij hem op “visite” geweest toen hij de band die speelde in de toenmalige nachtgelegenheid Hostal (ooit gebruikt als lokatie voor een oeroude film die in Cadaqués is gedraaid (1971): “la luz al fin del mundo”, the light at the edge of the world, met Kirk Douglas en Samantha Eggar). Mijn gesprek met hem beperkte zich tot enkele vriendelijkheden; wel liep hij regelmatig door het stadje en werd dan met eerbied door iedereen gegroet.
Je vermeldt terecht een detail dat maar weinigen weten: door toedoen van Dali is Cadaqués aangewezen als wat wij hier een “beschermd dorpsgezicht” zouden noemen. Daardoor is er geen hoogbouw, en geen grote toeristenhotels. Dat, gecombineerd met de slingerweg er naar toe en het gebrek aan zandstrand heeft gemaakt dat het toerisme als het ware over Cadaqués is heen gesprongen. Het hoogtepunt is geweest in de jaren ’70, toen waren er zelfs nog enkele provisorische disco’s, nu is alles weer rustig, en drijft het stadje voornamelijk op bewoners van Barcelona en Frankrijk (Toulouse) die er hun tweede huis hebben. Centrale punten zijn nog altijd café Maritim, aan het water, en het Casino, dat anders dan de naam doet vermoeden dienst doet als dorpshuis waar men en masse voetbalwedstrijden geniet op grote schermen.
 

Dit bericht is geplaatst in Essays. Bookmark de permalink.