Escher en Islamitische kunst.

In  het Tropenmuseum in Amsterdam is een kleine maar boeiende tentoonstelling ingericht Escher meets Islamic Art (tot 3 november). Escher (1898-1972) heeft in 1922 als jonge tekenaar en in 1936 nogmaals met zijn vrouw in Zuid-Spanje gewerkt en er Moorse kunst gekopieerd, vooral in het Alhambra in Granada. Hij had (Grabar, p. 153) een affiniteit met de Moorse kunst ontwikkeld, lang voordat hij het Alhambra had ontdekt.  Het resultaat van die affiniteit, na de ontdekking, is nu te zien in Amsterdam. Telkens hangt naast een Escher tekening of grafische druk het Islamitische voorbeeld of een Islamitische pendant

Iranees wandkleed

Perzisch wandkleed

Ruiters Escher

.

Escher beoefende de wiskundige vlakvullings techniek die grote verwantschap vertoont met die van de Arabische kunst uit het Midden-Oosten. De vraag waarom deze Islamitische kunst een andere weg is gegaan dan de Westerse is intrigerend genoeg. Zowel in de Westerse als de Oostelijk religieuze tradities speelt het religieuze beeldverbod, in wisselende kracht, een rol, maar het meest misschien toch in de Koran. De Koran wordt opgevat als ‘het woord’. ‘Het woord was op “een zijn” gericht dat onzichtbaar moest blijven, maar in het boek (de Koran) fysiek werd vertegenwoordigd’ (Belting, p. 88). Het beeld was voorbehouden aan de ‘alziende’ God. Dit leidt tot een ornamentiek die een bemiddelaar is tussen de waargenomen wereld en het onzichtbare: de gekalligrafeerde letter, het symmetrische ornament, de repeterende vorm in de architectuur, de zich herhalende natuurmotieven. Dus nooit afbeelding, maar beeldend intermediair. Het lijkt wel op wat de Amerikaanse kunstcriticus Clement Greenberg, die in de 20e eeuw het evangelie van het modernisme heeft geformuleerd, de ‘autonomie’ van het abstracte schilderij heeft genoemd: het schilderij dat geen externe referent in de waarneembare werkelijkheid heeft. Het is ‘abstract’. Aan dat soort ‘abstractie’ is bij schilders als Rothko al snel een intermediaire functie toegekend, in die zin dat zijn schilderijen mystiek (bemiddelaar tussen de waarneembare werkelijkheid en de sublieme schoonheid) werden geïnterpreteerd.

Escher vlechtwerk

Escher vlechtwerk

Toch is de camera obscura (de donkere kamer waarin de uitwendige werkelijkheid wordt afgebeeld) eerder in de Islamitische wereld uitgevonden dan in de Westerse wereld. Dat was de ‘Arabische Archimedes’ Abu Ali al-Hasan Ibn al-Haitam (965-1040), in het Westen ook wel Alhazen genoemd. Hij vatte het licht op als een bundeling rechte lijnen die als een lichtpiramide in het oog vielen, een optiek die tot Newton ook in het Westen opgeld bleef doen. Maar deze vertaalde zich niet in een perspectief (lijnen met een verdwijnpunt aan de horizon) zoals dat in de Renaissance in het Westen werd uitgevonden. Het bleef een lichtgeometrie van lijnen en cirkels die we in de ornamentiek tegenkomen. Zoals Belling schrijft beeldde de Islamitische kunst de geometrie zelf af, waar geometrie in het Westen een toepassing werd die aan de afbeeldende perspectivische blik ten grondslag werd gelegd. Anders gezegd: sinds de Renaissance zien wij de werkelijkheid vanuit een individuele kijkdoos, terwijl het in het Oosten een veelheid van gezichtspunten blijft. Een schilderij en een huis vormen een reeks aaneengeschakelde kijkdozen, het raam was een

Islamitisch vlechtwerk

Islamitisch vlechtwerk

venster op de wereld, de grote kijkdoos. Het raam is in het Islamitische huis een afsluiting van de wereld: een raster waardoor symmetrische vervormde lichtlijnen naar binnen vallen.

Met de modernisering is er in het Midden-Oosten wel zoiets als een perspectivische afbeeldende blik ontstaan ,die ook naar schilderkunst werd vertaald, maar dat stuitte op grote weerstanden. Dit is de inzet van het boek Ik heet Karmozijn van de Turkse schrijver Ohran Pamuk, waarin de oude en de nieuwe schilderscholen van miniaturen elkaar naar het leven staan. Het beeld is volgens de protagonisten van de oude school in deze roman voorbehouden aan de alziende goddelijke blik. Het moet verborgen blijven tussen de pagina’s van het heilige boek. Als het als afbeelding aan de muur wordt opgehangen, leidt het maar tot afgoderij. Een moderne ‘perspectivist’ wordt in het boek vermoord.

Als je naar al die gevulde bladen, vensters, versierde torens en muren kijkt, blijft toch iets van de oneindigheid bij je hangen. De ‘vlakvulling’ is een momentopname in een eindeloos reeks verschillende zichtlijnen en symmetrieën die zich buiten het getoonde beeld voortzetten. Er is niet één verdwijnpunt, het zijn er honderden. Een uit symmetrische kristallen opgebouwd oneindig heelal.

Links Escher, rechts Oosters venster

Links Escher, rechts Oosters venster

Geraadpleegde bronnen

Escher & Schatten uit het Oosten, Bussum: Uitgeverij Toth 2013 (catalogus, goede plaatjes, enige biografische gegevens, maar weinig diepgang).

Hans Belting, Florenz und Bagdad, Eine westöstliche Geschichte des Blicks, München: Verlag C.H. Beck 2008 (Er bestaat ook een Engelse vertaling).

Oleg Grabar, The Mediation of Ornament, Princeton: The Princeton University Press 1992.

 http:c//en.wikipedia.org/wiki/Alhazen

Omar Pamuk, Ik heet karmozijn, Amsterdam: Arbeiderspers 2001.

Dit bericht is geplaatst in Essays, Kunstenaars. Bookmark de permalink.