De tentoonstelling Jacqueline Kennedy Onassis van Jan de Cock (tot 9 maart 2013 bij galerie Fons Welters in Amsterdam)

De Belgische kunstenaar Jan de Cock (1976) maakte in 2012 een nieuwe tentoonstelling onder de titel  Jacqueline Kennedy Onassis in de kunsthal Baden-Baden, waaruit nu een nieuwe tentoonstelling is gemaakt bij Fons Welters. In het verhelderende Handboek dat De Cock samen met de tentoonstellingsmakers in Baden-Baden heeft ontworpen, verdeelt de 37 jarige kunstenaar zijn oeuvre tot dusver in: Vertigo of the Era of Free Catalogues (1999), Collateral Damage (Randschade: 2002), Denkmal (2004-2006), Repromotion (2009), en nu dus Jacqueline Kennedy Onassis (2012-?).

De verschillende fasen zijn op verschillende plaatsen en bewerkingen in Nederland en Europa te zien geweest, In het Handboek wordt de kern van de eerdere fasen samengevat en voorzien van een woordenlijst van bouwstenen die ieder fase markeren, maar later kunnen terugkomen. In Vertigo zijn dat ‘randschade’ (de schade aan personen en objecten in de omgeving van een militaire operatie), ‘dolly tracks’ (de rails voor verrijdbare filmcamera’s), ‘module’ (componenten van een zich ontwikkelend systeem), ‘paviljoen’ (een tijdelijke behuizing, meestal behorend tot een groter geheel, bijvoorbeeld in een tentoonstelling), ‘ bewegende camerashots’ (de lange rijders, de langzame inzoomers en de wervelende rondraaiende beelden, voor alle waarvan de cameratechniek van de regisseur Hitchcock als voorbeeld kan dienen), ‘vertigo’ (het gevoel dat de wereld om je heen begint te draaien). Ze komen niet altijd en allemaal in het latere werk terug, maar zij bieden een goed houvast om het werk van De Cock te beschrijven.

De Cock is een driftige timmerman die ruimten en omgevingen vertimmert. Daarin is hij zo standvastig als de in de Belgische strip Suske & Wiske voorkomende krachtpatser Jerommeke. Jerommeke gaat een andere ruimte meestal niet binnen door een deur, maar door een stenen muur waarin hij het silhouet van zijn vierkante gestalte als een gat achterlaat. Dat doet De Cock ook maar hij handelt daarbij met beraad. Hij timmert werken in de wereld van de kunstgeschiedenis en de wereld van de destructie van woonplaatsen tijdens oorlogen die in de 20ste en 21ste eeuw aan de rand van de Westerse beschaving onverminderd voortwoeden.

Zijn eerste werk werd getoond in een paviljoen op een tentoonstellingsterrein in Brussel.  Dat paviljoen werd later in een persconferentieruimte van de NATO veranderd waar verslag werd gedaan over de operaties in Kosovo en Serajevo. Dat inspireerde De Cock tot de volgende fase Randschade. Hierin viel hij de 19e eeuwse neoklassieke museumarchitectuur van het museum in Gent aan. Hij plaatste er modernistische kubussen en rechthoekige dozen, verbonden tot disfunctionele blokkendozen, getimmerd van spaanplaat, soms beschilderd met witte of grijze grondverf.  In deze tentoonstelling legde hij  zijn

foto3

artistieke identiteitspapieren op tafel. Hij confronteerde het radicale modernisme van Mondriaan en diens timmerende schildknaap Rietveld met de neobouwstijlen van de musea van de 19e eeuw. Een andere kandidaat voor erflaterschap is de Belgische Marcel Broodthaers. Deze ridiculiseerde immers de kunstinstitutie met zijn ‘Departement des Aigles’ dat hij als een bijkantoor van een zelf gesticht museum (Musée d’Art Moderne, XIXe siècle (Bis)))[1] als een verpakkingskrat voor schilderijen in een museum bouwde. Broodthaers is ook de man, die in het land dat vele talen kent, waar pijpen worden geschilderd die geen pijpen zijn,  de spanning tussen, woord, betekenis en beeld onderzocht. De Cock die zijn tentoonstellingen vergezeld doet gaan van boeken, waarin verslag wordt gedaan van de randschade in beeld en betekenis die zijn tentoonstellingen opleveren – als de houtkrullen die in de timmermanswerkplaats op de grond zijn gevallen – is ook verzot op de onzin taxonomieën die Broodthaers placht te ontwerpen.

Scan1In de tentoonstelling liep de toeschouwer, al in verwarring gebracht door de ondermijning van de museumruimte en de betekenis die hij aan een museum placht toe te kennen, als een rijdende camera rond, zodat hij de nieuwe bouwsels telkens in ander perspectief zag. De Cock is verslag van deze tentoonstellingen gaan doen met foto’s die in lichtbakken worden gevat. De foto’s die met een belichtingssnelheid van 2-3 minuten zijn genomen, laten de objecten scherp zien, maar de toeschouwers als bewegende schaduwen.

Denkmal is een begrip dat de Oostenrijkse functionalistische architect Adolf Loos (van de verhandeling Ornament und Verbrechen dat De Cock ongetwijfeld kent) heeft bedacht en dat het midden zou houden tussen een grafsteen en een nationaal monument. In deze fase verhouden De Cock’s ruimtelijke timmerconstructies zich met Italiaanse fascistische architectuur, tenslotte een mengvorm van de 19e eeuw (Bis)  en gevulgariseerd modernisme (de architectuur van Adolf Speer). Nu verschijnt ook het olijfgroen waarmee spaanplaat wordt beschilderd, maar keren modules uit de eerdere periode terug.  De leidende vraag is: wanneer ben je ‘binnen’ en wanneer ben je ‘buiten’?

In Repromotion pakt hij de 19e eeuwse module weer op door in de modernistische constructies soms het beeld van de boogschutter van Bourdelle op te nemen, omdat hij het mooi vindt, maar ook omdat het Nazi beeldhouwkunst van Anton Breker aankondigt. In de versie van de tentoonstelling bij Fons Welters, twee jaar geleden, overheerste het Scan2Randschade motief, omdat de modernistische ruimten waren veranderd in de stuk geschoten huizen in Kosovo en Serajewo. Ergens in een catalogus zegt Jan de Cock: ‘je kunt niet aan de bergen van het landschap zien dat het oorlog is. Dat zie je alleen aan stukgeschoten gebouwen.’ Ja, hoeveel stukgeschoten gebouwen, dakloze muren met gaten hebben wij in ons leven in de 20ste eeuw niet gezien? De tentoonstelling was ook een groot werveling van zichtlijnen, wisselende perspectieven, binnen- en buiten ruimten, een labyrint waarin de toeschouwer duizelig werd.

Jaqueline Kennedy Onassis is een Romantische voorstelling. In de galerieruimte is ten opzichte van de ‘Vertigo’ van de vorige tentoonstelling een diepe stilte neergedaald. We zien een spiegelende vloer, de vertimmeringen zijn als decorstukken voor een opera tegen de wand geplaatst. Het is wel foto1een opera die zich afspeelt in een Ikeawinkel met spaanplaat en schrootjeshout. De titel staat voor ‘show’, maar ook voor een tijdperk: Jaqueline als een voortzetting van Marilyn Monroe, Kennedy als de progressieve president die Vietnamese steden aan flarden heeft laten schieten maar in 1963 in een limousine cabriolet naast zijn wuivende echtgenote werd vermoord, en de Griekse reder Onassis die na de moord de operazangeres Maria Callas inruilde voor Jacqueline K (changement de decor).

Wat zal de volgende stap zijn? Misschien de Ottomaanse architectuur van de achthoeken en de torenspitsen, die De Cock in Serajevo oppikte en die deel uitmaakten van de vorige module, maar terugkeren in de huidige tentoonstelling. De wiskunde (achthoek) is door de Arabieren uitgevonden, het ruimtelijk perspectief (vierkant)  door het Westen. Daar valt voor een artistieke timmerman dus nog wat aan te beleven.       

foto4foto5Geraadpleegde literatuur:

Jacqueline Kennedy Onassis, A Romantic Exhibition, Handbook, Keulen: Verlag Buchhandlung Walther König 2012.

Wouter Davidts, ‘Travail de (vi)site’ en Chris Delcron, ‘Een heel ander Idee, elders’, in: Jan de Cock Denkmal ISBN 9080842419, p. 382-407 en 436-442.

Marcel Broodthaers, Parijs,: Éditions du Jeu de Pomme 1991.

Hans Belting, Florenz und Bagdad, Ein westöstliche Geschichte des Blicks, München: Verlag C.H. Beck 2008.

De tweede en de derde afbeelding komen uit eerdere tentoonstellingen, de overige uit de huidige bij Fons Welters.


[1] Nu ik dit schrijf realiseer ik mij dat dit een uitstekende titel zou zijn voor het huidige Stedelijk Museum in Amsterdam.

Dit bericht is geplaatst in Essays, Kunstenaars, Uncategorized. Bookmark de permalink.