Bertrand Lavier (1949) of de kunst van het verplaatsen (Tentoonstelling Bertrand Lavier Depuis 1969 tot 3 januari in Centre Pompidou in Parijs)

De Fransman Bertrand Lavier is in de moderne kunst een eigen weg gegaan tussen popart, minimal  art, arte povera en conceptual art. Dat maakt de overzichtstentoonstelling in Pompidou ongemeen boeiend. Daarom eerst enige overpeinzingen over moderne kunst, alvorens iets over de tentoonstelling te zeggen.

Kunsthistorici leren bij de beschouwing van een kunstwerk een  scherp onderscheid te maken tussen wat er op of aan een kunstwerk is te zien en hoe de aldus vastgestelde voorstelling moet worden gezien, geïnterpreteerd om het deftig te zeggen. Eerst dus de feiten, dan het waardeoordeel.  Die interpretatievraag is het lastigste, aangezien de betekenis van een kunstwerk sterk afhankelijk is van de cultuur waarin het is ontstaan en waarvan het daarna deel is gaan uitmaken. Goede kunstwerken hebben een in de tijd verschuivende betekenis. Wij kijken nu anders naar De Staalmeesters van Rembrandt dan de tijdgenoten van de schilder. In de hedendaagse kunst is het minder gemakkelijk dat scherpe onderscheid tussen feiten en betekenis te maken. Vaak is er geen duidelijke voorstelling (ik zie rode en blauwe kleurvegen, ik zie een stuk plastic); vaak ook is in de keuze van het materiaal of het voorgestelde voorwerp al een waardeoordeel geïmpliceerd. De Arte Povera kunstenaars uit de jaren zeventig van de vorige eeuw gebruikten ‘arme’ materialen om zich af te zetten tegen de ‘hoge’ kunst van goud en marmer. De Franse kunstenaar Duchamp introduceerde met de tentoonstelling van een omgekeerd urinoir  het begrip ‘concept’ in de kunst: iets wordt kunst door de keuze van de kunstenaar en de gedachte die de kunstenaar met die keuze tot uitdrukking wil brengen. De ‘wat’ en de ‘hoe’ vraag beginnen dan al aardig samen te vallen. Sindsdien is kunst dikwijls niet meer dan het verplaatsen van een voorwerp uit de dagelijks sociale werkelijkheid naar een kunstcontext. Het heeft ook te maken met de verandering of zelfs het wegvallen van een waardehiërarchie in onze cultuur. In de jaren zestig kwam in de VS het begrip ‘camp’ in zwang. Het was een cultwoord waarmee een bepaalde attitude of gevoeligheid werd aangeduid, zoals het woord ‘cool’ dat nu doet. De herkomst van het woord ‘camp’ is onduidelijk, hoewel ik hecht aan de afleiding van ‘kamperen’, het je tijdelijk ergens bevinden. Zo gingen intellectuelen uit de jaren zestig, die Freud in de boekenkast hadden staan,  kitsch lampjes op het nachtkastje zetten (die hebben ze allang vervangen door serieuze design lampen), en zich voor voetbal interesseren (dat is wel een blijvend kampement gebleken). Susan Sontag noemt in haar nog altijd boeiende beschouwingen ‘Notes on Camp’,opgenomen in de bundel Against Interpretation (1969), vele kenmerken waarvan ik er drie selecteer: ‘Camp sees everything in quotation marks. It’s not a lamp but a “lamp”;  it’s not a woman but a “woman”.’ En: ‘Camp turns its back on the good-bad axis of ordinary aesthetic judgement.’ En: ‘Detachment is the prerogative of an elite; and as the dandy is the 19th century surrogate for the aristocrat in matters of culture, so Camp is the modern dandyism. Camp is the answer to the problem: how to be a dandy in the age of mass culture (…) The old-style dandy hated vulgarity. The new-style dandy, the lover of camp, appreciates vulgarity .’ Dat laatste zou je ook de vlucht van de intellectuelen naar voren, de massa in, kunnen noemen. Als ik de drie ‘notes’ toepas op bekende beeldende kunstenaars, dan is Andy Warhol camp vanwege zijn modern dandyisme, Jeff Koons camp vanwege het kitscherige, en Bertrand Lavier vanwege de aanhalingstekens. Op dus naar Bertrand Lavier en de overzichtstentoonstelling die van zijn werken in Parijs is te zien.

Lavier (geboren 1949) is een Fransman en een waardig opvolger van de Fransman Marcel Duchamp. De verplaatsingen die hij pleegt hebben dezelfde Cartesiaanse helderheid en preciesheid als die van Duchamp. Al vrij snel in de tentoonstelling worden we geconfronteerd met een voorwerp dat er uitziet als een concertvleugel. De vleugel is als traditioneel cultuurobject en aansprekende vorm misschien wel het meest gemaltraiteerde object in de moderne kunst, maar Lavier bewerkt de vleugel op een elegante manier. Hij schildert haar met forse expressionistische streken zwart, noemt haar ‘Peinture acrylique sur piano’ en plaatst haar met deze titel tussen aanhalingstekens in de tentoonstelling: Is dit een vleugel of is het iets anders? Zijn verplaatsingen leveren ook nieuwe combinaties op, zoals de sensuele rode divan  in de vorm van zwaar gelipstickte lippen op een diepvrieskist. Een van de meest becommentarieerde werken uit de jaren tachtig is de ijskast (model Amerikaanse Frigidaire, zoals ze vroeger heetten)  Lavier plaatst de Frigidaire boven op een brandkast. Conceptueel heel fraai: tegenwoordig ben je zekerder van houdbaarheid van waarden in de ijskast dan in de brandkast.

Lavier verplaatst ook de andere kant op door bekende kunstwerken naar onze wereld toe te bewerken. Hij maakt een nieuwe Frank Stella in neon buizen, hij maakt van de pointillistisch schilderijen van Signac steentjes mozaïeken. Het meest geslaagd is misschien wel de herinterpretatie van de gekleurde balk schilderijen van Marc Rothko in een 35 mm film projectie. Die kleurbalk schilderijen vibreren om met Terpen Tijn te spreken. Op de film doen ze dat ook echt.

Hij becommentarieert  culturele conventies. De verzamelaars van moderne kunst in het Interbellum verzamelden etnografica, kunst waar ook de Europese kunstenaars die zij verzamelden zich door lieten inspireren. Lavier zet die primitieve beeldjes op een sokkel en verguldt ze in goud of zilver. Een hele culturele mode wordt daarmee tussen aanhalingstekens gezet: prae- camp jaren twintig.

In de bijzonder vorm gegeven tentoonstelling is het hoogtepunt de zaal met moderne kunst die uit het stripverhaal ‘Mickey Mouse in het Museum voor Moderne Kunst’ komt. Deze asymmetrische  zaal is door een laag langwerpig venster te bekijken (een kijkkast) en heeft niet helemaal onze maat. We moeten een beetje bukken, maar bevinden ons dan in de drie dimensionaal gemaakte Comic strip met moderne kunst volgens Walt Disney. Je maakt onwillekeurig de vergelijking met wat Roy Lichtenstein in de jaren zestig deed met zijn tot schilderijen opgeblazen stripverhalen van Amerikaanse luchtgevechten en beeldromans. Tòen vond ik dat het einde, nu – bij terugzien in het Stedelijk- verdwijnen ze ver weg in de tijd. Een gebaar dat gemaakt moest worden, maar de levenskracht heeft verloren, zoals veel ‘verplaatskunst’ uit die periode (Zero: spijkers en watjes; Arman en de afvalboxen). Het is allemaal te veel tijdsbeeld gebleven.  Maar die Walt Disney kunstzaal van Lavier staat er nog fris en kek bij. Hij brengt in praktijk de woorden van Duchamp: ‘I created a new concept for that object.’

Lavier’s gevonden voorwerpen worden op een geraffineerde manier sculpturaal gemaakt, iconen van deze tijd. Andy Warhol heeft het verkeersongeluk in zijn zwarte silkscreen schilderijen tot een sinister evenement van onze beschaving gemaakt, maakte de werkelijkheid tot kunst. De Amerikaanse beeldhouwer John Chamberlain gebruikte tot schroot samengeperste auto’s voor non-figuratieve beelden, maakte kunst van de werkelijkheid. Lavier gaat daar tussen in zitten: hij zet een door een ongeluk total loss verkreukelde Lancia op een vierkante sokkel, een in de jacht neerstortend hert. En zo balanceert de tentoonstelling qua inhoud en vorm voortdurend tussen kunst en werkelijkheid, cultuurbeeld en beeldcultuur. Eigenlijk is de tentoonstelling een voortdurende dialoog tussen de ‘Warhol aanpak’ en de ‘Chamberlain aanpak’.

 

 

 

 

 

Geraadpleegde literatuur:

Susan Sontag, ‘Notes on camp’, in: Against Interpretation (1969)

Egbert & Loes Dommering Imaginair Museum, Een zeer korte inleiding in de moderne kunst, Amsterdam 2008, p. 28-33 en daar geciteerde literatuur.

 

Dit bericht is geplaatst in Kunstenaars, Recensies. Bookmark de permalink.