De cartoonist als frontsoldaat Over cartoons en de Syrische cartoonist Ali Farzat

In mijn aflevering over Newtopia noemde ik al even de Syrische cartoonist Ali Farzat, van wie werk in Mechelen te zien was. Hij wordt ook getoond in tentoonstellingen in Amsterdam (tot 23 november bij het Prins Clausfonds aan de Herengracht en tot 30 december als onderdeel van een grotere tentoonstelling  op de nieuwe tentoonstellingsplek van het Persmuseum aan de Gabriël Metsustraat, http://www.persmuseum.nl/nieuws/expositie-chouf-qra-kijk-lees ).

In het thema kunst en politiek horen ook de politieke cartoonisten thuis. Zij zijn kunstenaars die het domein van de kunsten verlaten en in het domein van de politiek met artistieke expressiemiddelen de strijd met de machthebbers aanbinden en in het domein van de moraal de zedelijke machten (kerk en godsdienst) aanvallen. Dat is linke soep. Ze worden dikwijls met geweld bedreigd of gevangen gezet. Ze zijn de kleine horzel: David tegen Goliath. Als kunstvorm is het de langst gecensureerde kunstuiting, omdat het beeld direct aanspreekt en ook  voor analfabeten verstaanbaar is.

De artistieke expressiemiddelen zijn allereerst de karikatuur, waarin vaak dieren of vruchtenvergelijkingen voorkomen om bepaalde kenmerken van het gelaat van de machthebber te ridiculiseren. Een beroemde is die van de Franse Philipon ten tijde van de regering van Louis Philippe, de ‘liberale’ koning  van de juli monarchie in 1830, die de beruchte perswetten afkondigde. Philipon tekende hem als de transformatie van een peer naar een gezicht. Met een variatie op Magritte zei hij tegen de rechter: ‘Ce ci n’est pas Louis Philippe’.  Hij ging er de bak voor in. De cartoon staat in de versie van Daumier van 1835 in alle geschiedenisboekjes.  Een ander effectief wapen is wat in de humortheorieën de incongruentie wordt genoemd. Het ‘goede’ optreden van de politieke of zedelijke leider wordt geassocieerd met ‘kwade’ motieven. Een beroemde is die Heartfield in Duitsland tekende van Hitler’s weg naar de macht: Hitler brengt de Hitlergroet met de achterover open geklapte hand. Daar drukt een captain of industry een bundeltje bankbiljetten in: ‘Millionen stehen hinter er’, was de pakkende woordspeling onder de prent.

 

De Syrische Ali Ferzat die in 2002 de Prins Clausprijs kreeg heeft het gemunt op Assad en Assad op hem. Ferzat heeft het ook gemunt op de conservatieve Islam en de conservatieve Islam op hem. Assad stelt hij in allerlei gedaanten voor, maar het leidende thema is toch dat in dit suikerbietvormige hoofd een vernietigend monster schuilt. En Islammannen doen hun vrouwen gewoon op slot. In 2011 werd Ferzat door de Syrische veiligheidstroepen gekidnapt en werden zijn voornaamste wapens onklaar gemaakt. De kootjes van zijn tekenhanden werden stukgebroken. Op de Prins Claustentoonstelling  is een van de eerste beverige tekeningen die hij maakte met zijn nog maar nauwelijks herstelde handen te zien.

In dit verband worden in de Westerse literatuur dikwijls de Deense cartoonrellen aangehaald als voorbeeld hoe de fiere Deense cartoonist de waarden van de Westerse Verlichting met inzet voor zijn eigen leven verdedigde tegen gevaarlijke Islamistische fanaten. Het vuurtje werd flink opgestookt. In het Midden-Oosten werden Deense vlaggen verbrand, en Holocaust cartoons in de strijd geworpen. Naar mijn mening ging het in de Deense cartoonoorlog niet om een aanval op de heersende macht met artistieke middelen, maar om een culturele propagandaoorlog met karikaturale middelen. De inzet was de eigen waarden op te leggen aan de ander. Het David-Goliath element was eigenlijk omgekeerd: Goliath haalde met de tekenpen uit naar David. In de cartoons werd bovendien niet zozeer een godsdienstige praktijk als wel de godsdienst zelf aangevallen, een andere aanwijzing dat het om een culturele propagandaoorlog ging. Het Cour d’Appèl in Parijs dat op verzoek van Islamitische belangenorganisaties moest oordelen over de geoorloofdheid van de publicatie van de cartoons door het satirische weekblad Charlie Hebdo vond een sluwe uitweg door de cartoons anders uit te leggen dan ze waren bedoeld: ze zouden niet de islam als zodanig hebben aanvallen, maar de verkeerde intolerante islam, waartegen alle Parijse intellectuelen van enige standing ten gunste van  Charlie Hebdo voor de rechter hoogdravende getuigenverklaringen hadden afgelegd.

Goed, de Deense cartoonist en ook Charlie Hebdo  stonden bloot aan de kleine terreur van Islamistische minderheden. Maar kijk eens wat er gebeurt als een cartoonist in het Islamitische land zelf de Islam aanvalt. Hij moet omtrekkende bewegingen maken zoals destijds Montesquieu met zijn gefingeerde Lettres Persanes een Pers inzette om de Franse absolute monarchie belachelijk te maken of Voltaire Mohammed in een toneelstuk gebruikte om de katholieke kerk aan te vallen. En als hij te rechtstreeks te werk gaat, kan hij beter vertrekken. Zoals de Tunesische cartoonist Ghazi Béji die, na de verspreiding van karikaturen over Mohammed op het Internet, dit jaar zijn land moest ontvluchten. En er zijn ook gevallen uit Marokko gerapporteerd. David moet dan voor Goliath vluchten anders wordt hij als een mug doodgemept. De Deense Goliath moest worden beschermd tegen gevaarlijke Islamistische muggen.

 

Geraadpleegde literatuur:

Constance C. McPhee & Nadine M. Ornstein, Infinite Jest, Caricature and Satire from Leonardo to Levine, New Haven: Yale University Press 2012

Rod A. Martin, The Psychology of Humor, Amsterdam: Elsevier 2007

Caricatura 2010, Amsterdam: The Press museum 2010

Culture in Defiance, Amsterdam: Prins Clausfonds galerij 2012

Egbert Dommering, De dubbele moraal van het groepsbeledigen in cartoons, in: Nederlands Juristenblad 2010, Aflevering 35, p. 2264-2269 (Essay 1800)  http://www.ivir.nl/publicaties/dommering/NJB_2010_35.pdf

Egbert Dommering, Over de cultuuroorlog in Nederlands Juristenblad 2008-7 http://www.ivir.nl/publicaties/dommering/NJB_2008_7.pdf

Egbert Dommering, Over de Deense cartoonoorlog in Nederlands Juristenblad 2006-11 http://www.ivir.nl/publicaties/dommering/deense_beeldenstorm.pdf

Over Ghazi Béji, Isabelle Manraud, L’errance in de rubriek Décryptages, Le Monde  11 octobre 2012, p. 23

 

Dit bericht is geplaatst in Kunstenaars, Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie