Christo de inpakker

Tot 19 oktober is in Pompidou in Parijs een tentoonstelling te zien ter nagedachtenis van de vorig jaar op 85 jarige leeftijd overleden Christo. Hij was Bulgaar en heette voluit Christo Vladimirov Javacheff. Wij kennen hem van grootschalige inpakprojecten. Dat zijn er vele, maar de tentoonstelling concentreert zich op het Parijse Pont-Neuf project uit 1985, als vooraankondiging van de volgend jaar postuum in te pakken Arc de Triomphe. We zien hem nog in zijn New Yorkse studio aan dit project werken.

Christo werkt in 2019 aan de Arc de Triomphe

Deze ‘empaquetage’, zoals het in het Frans fraai wordt aangeduid, markeert de triomftocht die hij in Parijs maakte, waar hij zijn carrière in 1958 begon. Dat was met een portretschilderij van Précilda Denat de Guillebon, moeder van Jeanne-Claude, met wie hij later trouwde. De tentoonstelling heet eigenlijk ‘Christo en Jeanne-Claude’, omdat Jeanne-Claude (exact dezelfde geboortedatum als Christo, maar een jaar eerder overleden) een belangrijke rol zou gaan spelen in het wereldwijde ‘empaquetage’ bedrijf dat ze samen zouden opzetten.

Précilda de Guillebon

In een film in de tentoonstelling vertelt Précilda dat Christo instemde met een portret toen ze hem via haar dochter leerde kennen, maar meteen aangaf dat dit een vorm van kunst was die hij ver achter zich had liggen. Hij deed al aan inpakken, maar deze pakketjes stelde hij nog als kunstvoorwerpen ten toon.

Ingepakte ‘kunst’ in de tentoonstelling

Zijn doorbraak in de ‘echte wereld’ was zijn barricadering van een smalle straat in Parijs met lege olievaten tijdens zijn eerste show in 1961 aldaar. De titel: ‘het IJzeren Gordijn’ als antwoord op de Berlijnse muur.

Het ‘IJzeren Gordijn’, Parijs 1961

De tentoonstelling markeert dit verhaal heel mooi door met het portret van Précilda te openen, dat naast het tentoongestelde IJzeren Gordijn en afbeeldingen daarvan te hangen en dan de toeschouwer langs het IJzeren gordijn en een vitrine met de ‘ingepakte’kunst te leiden.

Maar het echtpaar wil groter. De eerste doorbraak is in 1974 de ‘Running fence’, een veertig kilometer lange nylon muur in een Californische vallei. Al in hun Parijse tijd hadden ze gespeculeerd over het inpakken van de Pont-Neuf. Dat lukt in 1985. De tentoonstelling laat de hele wording van het project zien. Dat is veel meer dan het maken en tentoonstellen van het ingepakte ding, dat Christo zelf de ‘hardware’ noemde. Hoewel het maakproject een ingewikkeld artistiek/productie project is in ontwerp en uitvoering, is de ‘software’ belangrijker: dat is de organisatie, de financiering, de politieke besluitvorming en het managen van de verstoring van de culturele en sociale ordening. Dat laatste documenteert de tentoonstelling met documenten, foto’s en een film.

Politiek-maatschappelijke lobby. Tweede van links in de bovenste rij: het onderhoud met Chirac
Het inpakproject

 Christo en Jeanne-Claude richten een onderneming op (C.V.J. Corp) waar de laatste de directrice van wordt en de eerste de belangrijkste werknemer. Deze Corp maakt een prospectus waarin de bouwtekeningen en ontwerpen als aandelen worden verkocht waarmee het hele project zal worden gefinancierd. Verzamelaars en anderen stappen daar in omdat die ‘aandelen’ aanzienlijk in waarde zullen stijgen als het project eenmaal is gerealiseerd en enkele weken zal ‘staan’. Deze Corp doet ook de politieke lobby bij Chirac, dan nog burgemeester van Parijs (de gesprekken met hem zitten in de film), koopt de materialen in en organiseert de productie. Het project eenmaal gerealiseerd, moet publicitair worden begeleid omdat het een enorme impact heeft op de publieke opinie (verwondering, wanbegrip, woede). De merchandising moet juridisch op poten worden gezet. In een procedure bij de Parijse rechtbank krijgen ze voor elkaar dat de rechter beslist dat de Pont-Neuf tijdens de empaquetage niet een publiek goed is, maar een kunstwerk dat niet vrijelijk kan worden gefotografeerd, hetgeen betekent dat C.V.J. Corp de merchandising (foto’s van het project) in handen kan houden.

In de film zien we ook even Pierre Restany, een man met een baard, langs komen die enige bekendheid heeft gekregen met een uit 1960 daterend duister manifest op anderhalve A4 over het ‘Nouveau realisme’, dat hij heeft gepresenteerd bij een tentoonstelling van Yves Klein. Hij lijft daar nu ook Christo (die er destijds niet bij was) bij in. Het is veel meer en dat maakte Christo met zijn ‘software/hardware’ vergelijking duidelijk. Eigenlijk zet hij na Duchamp die een urinoir als een Boeddha exposeerde de finale stap. Duchamp gebruikte de maatschappelijke werkeijkheid nog als ‘achtergrond’. Christo gaat verder: Hij turnt de hele politiek-sociale-economische werkelijkheid om tot een artistiek project, zowel in de voorbereiding als in de uitvoering.

Als je nu terugkijkt, is het hele project van een melancholieke schoonheid. Het geeft iets onwerkelijks aan de historische bouwvorm waardoor het verleden ineens als een spook verschijnt Dat is goed te zien is aan het model van het project  in de tentoonstelling.

Model van de ingepakte Pont-Neuf

Misschien is het effectiever om al die standbeelden van slavenhandelaren en kolonisten die nu omver worden gehaald, in te pakken op de manier dat Christo en Jeanne-Claude het gedaan zouden hebben. Laten we Jan Pieterszoon Coen in Hoorn eens een maandje inpakken. Dat lijkt me een louterende ervaring.

Pak Jan Pieterszoon Coen in Hoorn in.

Geraadpleegde literatuur

Nathalie Heinich, Le Pont-Neuf de Christo, Parijs: éditions Thierry Marchaisse 2020

Pierre Restany, Manifeste deze Nouveaux Réalistes, Éditions Dilecta 2007

Dit bericht is geplaatst in Essays, Recensies. Bookmark de permalink.