De Affaire Ruf. Crisis in het Stedelijk Museum

Op 11 januari j.l. verscheen ‘De Affaire Ruf. Crisis in het Stedelijk Museum’, verkrijgbaar bij de boekhandel en bol.com. Ik schreef eerder in mijn blog over de Ruf affaire (op 20 oktober 2017  http://www.egbertdommering.nl/?p=1001 en 23 oktober 2018 http://www.egbertdommering.nl/?p=1102). In Het Parool van 11 februari gaf ik een korte samenvatting van de publicatie.

Op vrijdagavond 18 januari 2019 kwam er een heel gezelschap samen in een groot pand aan de Herengracht in Amsterdam. De genodigden kwamen voor wat in de uitnodiging was aangekondigd als ‘A dinner of Appreciation’ ter ere van Beatrix Ruf, voormalig Directeur van het Stedelijk Museum. Iedereen was er: oud-leden van de Raad van Toezicht en (oud) sponsors, (oud) medewerkers van het museum; adviseurs, vrienden, onmiddellijk betrokkenen. Ruf was, naar hun oordeel, in oktober 2017 ten onrechte onder druk gezet door de nog maar net aangetreden voorzitter van de Raad van Toezicht en enige leden van die Raad om, na negatieve publiciteit over haar functioneren als directeur in NRC Handelsblad, af te treden als directeur. Nadat zij door een onafhankelijke onderzoekscommissie was vrijgepleit, hadden de gemeente, de interim-directeur en de ondernemingsraad van het museum desondanks haar terugkeer geblokkeerd en de overgebleven leden van de Raad van Toezicht weggestuurd.

De details van deze gebeurtenissen zijn nauwkeurig gereconstrueerd in boekje ‘De Affaire Ruf, Crisis in het Stedelijk Museum’. Maar dat is niet de belangrijkste reden van deze publicatie. Als je terugkijkt in de geschiedenis, beëindigden directeur Rudi Fuchs in 2003 en de kwartiermaker van de ‘verzelfstandiging’  van het museum Gijs van Tuyl in 2010, hun carrière met negatieve gevoelens. De eerste omdat het door hem in gang gezette renovatieproject van het gebouw naar een ontwerp van de Portugese architect Siza door de gemeente op advies van de Commissie Sanders (die adviseerde over de verzelfstandiging van het museum) was afgeblazen. De tweede omdat hij na de moeizame en kostbare renovatie door het architectenbureau Benthem Crouwel het karwei in 2010 niet had mogen afmaken. Van de in het verzelfstandigde museum benoemde  zakelijke directeuren vertrekken er in de periode tot 2017 twee omdat ze ontevreden zijn. De eerste artistieke directeur Ann Goldstein verlengt haar contract in 2013 niet. Haar na een grondige internationale sollicitatieronde aangestelde opvolgster Beatrix Ruf moet in 2017 het veld ruimen. Als je dat slagveld vanaf 2003 overziet dringt zich de conclusie op dat  er structureel iets behoorlijk mis is met het museum. Daardoor is de ‘kwestie Ruf’, in mijn ogen, afgezien van de individuele details, ook het type probleem dat je kon verwachten en dat je ook inderdaad vóór Ruf al ziet optreden.

Het begint bij de verzelfstandiging omdat dat concept toen en nu, naar mijn oordeel, niet voldoende is doordacht. De vragen die daarbij aan de orde komen zijn: of het museum werkelijk zelfstandig is geworden ten opzichte van de gemeente Amsterdam, wat de politieke motieven waren, en hoe daaraan al of niet vorm is gegeven, hoe het management van de nieuwe zelfstandige organisatie is geregeld, welke belangengroepen er rond het museum bestaan en hoe zij in die nieuwe structuur al of niet zijn vertegenwoordigd.

Kort gezegd zijn de antwoorden die het boekje op die vragen geeft de volgende. Het museum is niet zelfstandig geworden, omdat het economisch volledig afhankelijk is gebleven van de gemeente: de eigenaar van de collectie en het gebouw en de belangrijkste subsidiënt. Weliswaar is de stichting juridisch zelfstandig, maar er blijven informele machtslijnen naar de gemeente lopen. Dat zie je ook in de affaire Ruf. Na de negatieve publiciteit in NRC Handelsblad in oktober 2017, gaat wethouder Kunstzaken, Ollongren, zich langs dit informele kanaal onmiddellijk met de positie van Ruf en de besluitvorming van de Raad van Toezicht bemoeien, zowel voor het besluit van de Raad als erna. Na de affaire heeft de gemeente de macht ook formeel in handen door het benoemingsrecht van alle leden van de Raad van Toezicht naar zich toe te trekken.

De juridische vormgeving van de verzelfstandiging blijkt gebrekkig. Het draait volgens de statuten voornamelijk om het beheren van de collectie van de gemeente. Geen van de ambitieuze doelstellingen van de Commissie Sanders dat het museum ‘terug moet naar de top’(de titel van het advies van de Commissie), is in deze opzet terug te vinden. Het voornaamste motief om te verzelfstandigen was dat het museum een ‘culturele onderneming’ moest worden, maar dat blijkt een dubbelzinnige constructie. Zo leidt het model van een artistieke en een zakelijke directeur, waarbij de artistieke formeel de baas is, voortdurend tot conflicten.

Het toezicht is in handen gelegd van een Raad van Toezicht met onbezoldigde leden die er voor hun maatschappelijk prestige zitten. Deze krijgt geen vat op een organisatie met twee directeuren in een conflictmodel en naar schatting 200 medewerkers. Bij negatieve publiciteit leidt dit al snel tot paniekvoetbal, zoals we hier (maar ook rond de affaire Gatti in het Concertgebouw) hebben gezien. In plaats van de tijd te nemen voor een behoorlijk onderzoek, wordt het probleem (de artistieke leider) zo snel mogelijk van tafel geveegd.  

De bedoeling van de verzelfstandiging was om met deze culturele onderneming particuliere sponsors aan te trekken, maar de structuur geeft hen geen invloed in de organisatie. Een groot deel van de particuliere sponsors is na deze affaire weggelopen.

 Verder is er het moeilijke vraagstuk van de artistieke, politieke en economische ‘omgeving’ die al of niet meewerkt aan de verzelfstandiging. Mijn inschatting is dat er veel actoren in die ‘omgeving’ waren die een echte verzelfstandiging hebben tegengewerkt. In mijn ogen draait het advies dat de Amsterdamse Kunstraad in deze kwestie heeft uitgebracht de doelstellingen van de Commissie Sanders terug.

En dan is er nog de complicerende factor van de nieuwbouw, waarover van alles is te zeggen, maar vooral ook dat deze (de grote doos met wisselwanden)  moeilijk is te exploiteren. Dat vond directeur De Wilde destijds ook al van de Sandbergvleugel.

Het boekje pleit voor een openbaar debat over al deze structurele kwesties. Een behoorlijke rehabilitatie van Beatrix Ruf, die, naar mijn oordeel, in de publieke mededelingen van het museum en de gemeente heeft ontbroken, zou daarbij ook niet misstaan.

De huidige voorzitter van de Raad van Toezicht Truze Lodder en de auteur
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.