Manifesta 9 (2012): de kunst legt het af tegen de werkelijkheid

 
Door Egbert Dommering
 
De doelstelling
Manifesta is ooit in 1996 in Rotterdam gestart. Het is nadien in alle uithoeken van Europa georganiseerd en heeft inmiddels de 9e editie bereikt. Volgens de website is de doelstelling van Manifesta, ik kopieer het maar even, de volgende:
Manifesta, the moving European Biennial of Contemporary art, changes it location every two years – Rotterdam (1996), Luxembourg (1998), Ljubljana(2000), Frankfurt (2002), San Sebastian(2004), Nicosia (2006 – cancelled), Trentino-South Tyrol (2008), Murciain dialogue with northern Africa (2010) and Limburg (2012). Manifesta purposely strives to keep its distance from what are often seen as the dominant centres of artistic production, instead seeking fresh and fertile terrain for the mapping of a new cultural topography. This includes innovations in curatorial practices, exhibition models and education. Each Manifesta biennial aims to investigate and reflect on emerging developments in contemporary art, set within a European context. In doing so, we present local, national and international audiences with new aspects and forms of artistic expression.
Each Manifesta comprises a range of activities extending over a period of two or more years. This incorporates publications, meetings, discussions and seminars (the so-called ‘Coffee Breaks’), staged in diverse locations throughout Europe and in the neighbouring regions, culminating in the final three-month long exhibition (or in 2006, an ‘art school’) in the host city or region. In this way, Manifesta aims to create a keen and workable interface between prevailing international artistic and intellectual debates, paying attention to the specific qualities and idiosyncrasies of a given location.
Inherent to Manifesta’s nomadic character is the desire to explore the psychological and geographical territory of Europe, referring both to border-lines and concepts. This process aims to establish closer dialogue between particular cultural and artistic situations and the broader, international fields of contemporary art, theory and politics in a changing society. Manifesta has a pan-European vocation and at each edition, it has successfully presented artists, curators, young professionals and trainees from as many as 40 different countries. With the expansion of the European community from 12 to 25 countries, and with the possible target of around 30 nations in the foreseeable future, Manifesta also realizes the importance of creating links with Europe’s neighbours in Asia, the eastern Mediterranean and northern Africa. At the same time, it continues to focus on minority groups and cultures within Europe itself. Therefore Manifesta looks forward to expanding its network and building creative partnerships with organizations, curators, art professionals and independent figureheads in Europe and beyond, drafting an interlocking map of contemporary art.
 
Genk
Dit jaar leidde dat tot een tentoonstelling in het voormalige gebouw van de mijn in Genk (Waterschei) in Belgisch Limburg.  De André Dumont mijn werd in 1924 voltooid en in 1987 definitief gesloten. Het imposante hoofdgebouw gaf op de begane grond toegang tot de mijnschachten (daar ook de kleed- en badkamers van de mijnwerkers), maar herbergde op de bovenverdiepingen de ruimten voor  het kantoorpersoneel. Het complex van 23000 m2 is zowel van binnen als van buiten opgetrokken in Art Deco. De bezoeker van deze Manifesta heeft dus altijd een goede dag, want zoveel mooie industriële archeologie is er in deze streken van Noord-Europa niet te vinden.  Uit je zelf zou je er niet opgekomen zijn om deze fraaie plek te bezoeken. Dat brengt mij dan meteen op de kern van de problematiek. Heb je hier nog kunst bij nodig? Het antwoord is: de op deze Manifesta getoonde kunst eigenlijk niet.
 
Het begint er al mee dat de tentoonstelling geheel aan steenkool is gewijd. Maar als je de doelstelling van Manifesta tot je door laat dringen is het duidelijk dat het daarbij niet kon blijven. De tentoonstelling heet dan ook The Deep of the Modern. The Aesthetics of Coal and the Poetics of Restructering, en dat is waarachtig geen kattenpis. Klaarblijkelijk is de eerste verdieping en wat daar onder ligt de ‘deep’. We hebben hier dus te maken met de laat-kapitalistische onderbouw van de samenleving, waaruit we via het trappenhuis verder opstijgen tot de culturele bovenbouw van de moderne kunst, die sinds Adorno en de Frankfurter Schule niet meer zo autonoom is, maar schuurt en kruit over de onderbouw.  En daar zullen de 39 geselecteerde kunstenaars in opdracht van de curator Guauhtémoc Medina (Mexicaan) en co-curatoren Katerina Gregos (Grieks) en Dawn Ades (Brits) het kapitalistische gebeuren gaan poëtiseren. Halverwege is er dan ook nog een museum ingericht waarin mooie schilderijen en beelden zijn te zien die iets met mijnen hebben te maken. Kunstgeschiedenis hoort er tegenwoordig in het meta-post modernisme bij om te laten zien dat je destijds bij de historische lessen niet hebt zitten slapen.
Wanneer je op de begane grond niet links af het door Manifesta georganiseerde departement erfgoed in loopt maar recht door langs de bar, kom je in het door de mijnwerkers zelf ingerichte museum dan ben je eigenlijk al verloren voor de kunst. Een ‘echte’ mijnwerker staat je te woord, vertelt dat hij 27 jaar in de mijn heeft gewerkt en terug wil omdat de mijn weer open moet. Er zit nog voor 300 jaar kolen onder de grond. Het museum is ingericht door de vereniging van mijnwerkers die over het erfgoed waken en de vereniging laat niet na te benadrukken dat het museum blijft bestaan als de Manifesta is vertrokken. Bij de inrichting is (onbewust) de strategie van de objets trouvés toegepast die we van kunstenaars kennen: het in serie neerleggen of zetten van kettingen, boren, lampen, helmen, trollies, heilige Barbara’s (die waakt over heel veel ambachten, maar ook over de mijnwerkers).
En ook de kunst van het verkleinen en vergroten beheersen de mijnwerkers heel goed blijkens een ontroerend mooie maquette van de mijn.  
   
Op de tweede verdieping in het departement Poëzie van de herstructurering is het niet zozeer de ‘echte’ mijngeschiedenis die afleidt, maar de poëzie van het vervallen gebouw. Voortdurend is de camera afgeleid van de kunstwerken. In alle recensies wordt het tamelijk obligate werk van Ni Haifeng afgebeeld, maar de dakpartij daarboven  was spannender.
In de ruimte waar een praatvideo van Nicoline Harskamp staat opgesteld, raak je geboeid door de schaduwen die de fabrieksruiten op de grond werpen.
En waarom nog in de afzonderlijke ruimten gaan kijken als de muurpartij waar ze achter schuil gaan eigenlijk al een plaatje is?
Er zijn natuurlijk wel enige opmerkelijke werken. Zo trekt Praneet Soi zich niets aan van steenkolen met een diareeks die de dansende hand van een aan het werk zijnde drukker in Calcutta laat zien. En er is een opmerkelijke video van het Griekse duo Mikhail Karikis & Uriel Orlow. Zij pakken wel het thema steenkolen op, maar op een heel bijzondere manier.Zij laten oud mijnwerkers de sis  -en knarsgeluiden van de liften in de schachten van de mijnen, zoals zij zich die herinneren, a capella nazingen.  En zo zijn er nog wel wat werken te noemen die de aandacht van het gebouw en de intellectualistische doelstellingen van de curatoren weten af te leiden.  Bij het erfgoed viel op de uit 1935 daterende film Coal Face van de Braziliaan Cavalcanti op muziek gezet door Benjamin Britten en van tekst voorzien door W.H. Auden.
Het lijkt er op dat de curatoren in hun eigen val zijn gelopen. Ze kozen een plek uit met voldoende historische en sociale lading om hun eigen drammerige politieke verhaal te vertellen en werden vervolgens gevangen in de tentakels van de topografie van de plaats (‘paying attention to the specific qualities and idiosyncrasies of a given location’, zoals het in de doelstelling zo mooi heet). En vooral dat mijnwerkersmuseum is een gevaarlijke bananenschil gebleken. Wat kunst had moeten zijn wordt daardoor een verzameling machteloze gebaren. Dat is voor de bezoeker overigens leerzaam, want het scherpt de geest over de vraag wat kunst eigenlijk is of moet zijn.
 
Enige algemene vragen aangaande de biënnalisering van de kunst
Kunst is een zeer gewild middel van city of regio branding geworden, omdat het toeristen aantrekt en toeristenstromen, die maar doelloos door steden of streken kabbelen, kanaliseert. Biënnales zijn een zeer geschikt middel van kanalisering gebleken. Daarom komen er steeds meer van. De politieke machthebbers in  Europa in de tweede helft van de twintigste eeuw vonden dat cultuur moest worden gesponsord. De paradox van die overheidsfinanciering is geweest dat het een hele generatie curatoren heeft gekweekt die tegen het systeem zijn dat hen voedt. Die curatoren maakten oude biënnales (die volgens datzelfde mechanisme altijd politiek kritisch waren; Manifesta is in die zin een oude biënnale; bij de Dokumenta ligt het risico natuurlijk ook voortdurend op de loer), maar gaan steeds meer de nieuwe commerciële biënnales cureren, als het even kan nog politieker dan de oude. Zo was een nieuwe biënnale als de Berlijnse dit jaar, een politiek manifest van de Occupy beweging.
Voor de kunstenaars is de situatie misschien nog wel paradoxaler.  De beeldende kunstenaars  die over het algemeen slecht te verkopen dure unica vervaardigen zijn altijd sterk afhankelijk geweest van de overheid als opdrachtgever: kerkelijke, vorstelijke en burgerlijke, wier respectievelijke ideologieën zij in beeld uitdroegen. Nu heeft die overheidsopdrachtgever zich verstopt in curatoren die eigenlijk tegen die overheid zijn. De biënnale curatoren zijn in zekere zin de ‘nieuwe kerk’. De kunstenaars moeten van hen anti-systeem werken produceren. Zij moeten dat doorgaans doen in de post-industriële ruimte van de verlaten fabrieksgebouwen. Maar het is riskant, want degenen die effectief betalen en degenen die de kunst produceren groeien steeds verder uit elkaar. Achter de kritische curator schuilt een politiek onbetrouwbare geldschieter. Zoals in Nederland, waar we inmiddels een culturele crisis hebben die zijn weerga na de tweede helft van de twintigste eeuw niet kent. Wij noemen dat ‘marktwerking’.
Dit bericht is geplaatst in Recensies. Bookmark de permalink.