‘Op zoek naar Johan Maurits’

In het Mauritshuis is tot 7 juli de tentoonstelling ‘Op zoek naar Johan Maurits’ te zien. De aanleiding is dat er in de afgelopen jaren een openbare discussie was ontstaan of het Mauritshuis de schilderijen met zwarte slaven en de afbeelding van de prins zelf nog wel op zaal kon tonen (als afgeleide van de algemene discussie over kolonialisme, zwarte slavernij en kolonialisme in het bijzonder bij het bezit en de presentatie van kunstvoorwerpen in musea). Meer urgent werd dit toen het museum de grote buste van de hoogheid begin 2018 uit de vestibule van het museum had verwijderd. Dat was echter niet om gehoor te geven aan een politiek-correcte discussie, wat velen dachten, maar, zo legde het museum naderhand uit, als voorbereiding op deze tentoonstelling.

Johan Maurits is de geschiedenis in gegaan als de verlichte kolonisator van Brazilië die wetenschappers en schilders naar de kolonie haalde om de vreemde beschaving en fauna en flora van het land (Boxer hoofdstuk 4), dat hij in zijn eerste brief aan zijn meesters in 1637 ‘un des plus beaux du monde’ noemde (Boxer, p. 94), te bestuderen en te beschrijven. Zijn meesters waren de Heren XIX van de West-Indische Compagnie (WIC), die toen bezig waren een Hollandse kolonie op de Portugezen te veroveren. Dat heeft mooie schilderijen (van Post, Eckout e.a.) opgeleverd en die zijn sinds jaar en dag in het door de prins gestichte Mauritshuis te zien. Zij vormen met de grote schilderijen van de Braziliaanse indianen in klederdracht het exotische randje van deze collectie 17e eeuwse Nederlandse kunst.

Frans Post

De tentoonstelling relativeert dat beeld op een tamelijk geraffineerde manier. Getoond worden schilderijen uit de eigen collectie met koloniale aanknopingspunten in de daarop zichtbare voorwerpen, kledingstukken of zwarte bedienden, een schilderij van zwarte mensen op straat in Holland (een dubbelportret van Rembrandt), de stand- en borstbeelden van de meester zelf, een maquette van het Mauritshuis, projecties op de wand van afbeeldingen van de kolonie (onder meer ook schilderijen van Frans Post in andere musea). Bij deze schilderijen bevinden zich schermpjes met drie of vier teksten waar je doorheen kan scrollen. Omdat ze niet te lang zijn, kan je ze makkelijk lezen en dat zag je bij mijn bezoek alle bezoekers dan ook doen. Meestal zijn het een kunsthistorische beschouwing met een beschrijving van de voorstelling en herkomst en betekenis van de voorwerpen en personen, een historische of sociologische beschouwing, en een of twee ‘subjectieve’ reacties (wat mooi en treffend, een schrijnend beeld van het kolonialisme enz). Bij de ingang van de tentoonstelling staat de verwijderde buste van Johan Maurits, tegen de achtergrond van een scherm waarop oude en nieuwe Twitter berichten met positieve of negatieve  inhoud worden geprojecteerd, de negatieve met de verfijnde nuance die dit soort berichten kenmerken (‘Is die directrice Emilie Gordenker eigenlijk wel goed bij haar hoofd’ of woorden van gelijke strekking). Op de achterkant van dat scherm staat uiteengezet welk breed onderzoekproject er wordt opgestart. Op een podium in een nis staat een model van het Mauritshuis dat zeer vernuftig geheel uit suikerklontjes is opgetrokken.

Mauritshuis als suikerpaleis

Het lijdt geen twijfel dat de verlichte kant van Johan Maurits maar een stuk van het verhaal is, omdat in deze periode de WIC actief betrokken was bij een slavenhandel tussen Afrika (via het slavenfort Elmina in Ghana en later uit Angola) en dat de slaventransporten tussen Brazilië en Afrika onmenselijk waren. Aangezien de kolonie een groot tekort aan arbeidskrachten op de suikerplantages had (en om suiker ging het) was de prins verantwoordelijk voor de aanvoer daarvan, waar hij zich dan ook persoonlijk mee bemoeide. Calvinistische gewetensbezwaren werden gladgestreken (Boxer, p. 107 e.v., 131).

De aanpak van de tentoonstelling waar de bezoeker zich zelf een mening kon vormen, is een verademing na de Zuid Afrika tentoonstelling in het Rijksmuseum in 2017, waar boven de enorme gekleurde tekeningen van Gordon van Kaap de Goede Hoop anti-apartheidsleuzen waren gekalkt. Zo werd het kind met het badwater weggegooid.

Niettemin leidde zij in mei van dit jaar tot een polemiek in de Volkskrant (Emmer & Den Heijer, Leidse hoogleraren en schrijvers van boeken over de slavernij en de VOC,  Bandon van het Instituut voor Sociale Geschiedenis van de UvA, Van Vinde & Odegard, makers van de tentoonstelling), die werd aangeslingerd door Emmer & Den Heijer (E&dH). Zij schrijven in hun opinie: ‘Het is onwaarschijnlijk dat de gemiddelde bezoeker de historische kennis bezit om in te zien dat diverse bijschriften aperte onzin, misinformatie en activistische propaganda bevatten.’

E & dH maken zich boos dat de tentoonstelling suggereert dat Johan Maurits persoonlijk bij de slavenhandel was  betrokken (‘geen schijn van bewijs’) . Bandon laat in zijn stuk zien dat dit wel degelijk zo was. Geprikkeld door de opmerking dat ik als leek in de door beide hoogleraren tendentieus geachte bijschriften zou zijn getuind, raadpleegde ik Emmer (2000) zelf. Hij schrijft (p. 41-42): ‘Het bezit van de nieuwe kolonie bracht Nederland ertoe om na 1635 actief een eigen, geregelde Nederlandse slavenhandel op te zetten. (…) Voor de suikerplantages waren dringend slaven uit Afrika nodig en Johan Maurits nam geen halve maatregelen. Hij wist dat er voor een geregelde aanvoer vaste steunpunten op de Afrikaanse kust nodig waren. Vanuit Brazilië slaagde hij erin het onneembaar geachte fort Elmina op de Goudkust van Ghana te veroveren, en daarna ook de havenstad Luanda in Angola. (…) Zo kon de Nederlandse slavenhandel na 1637 van start gaan. De planters stonden om slaven te springen, want tijdens de eerste jaren na de verovering hadden de Nederlanders geen slaven aangevoerd (…). Tussen 1635 en 1645 werden er maar liefst 25.000 slaven naar BraziIië gebracht.’ Hij was dus initiatiefnemer en in belangrijke mate faciliterend voor de handel.

Slaventransport

Ze zijn ook boos over het model van het Mauritshuis van suikerklontjes, maar ik als leek keek maar eens bij Boxer (p. 143). Deze schrijft dat de tijdgenoten van de prins het al zo zagen: ’Deze “suikertaart” zoals de ontgoochelden bewindvoerders van de WIC  het paleis nogal bijtend betitelden.’  De tentoonstellingmakers beroepen zich daarop  in hun reactie op de beide hoogleraren.

Ook maken E&dH zich boos dat in één van de subjectieve commentaren wordt gesteld dat de slaven naar Brazilië werden ‘gedeporteerd’, omdat dit een handel was van Afrikaanse slavenhandelaars en geen Duits holocaust transport. Hier wordt het pas echt interessant als je Emmer leest. Die maakt zelf de vergelijking , maar probeert er zich dan weer van te ontdoen. Hij zegt (Emmer, p. 233): ‘De slavenhandel is een zwarte bladzijde uit de geschiedenis van Nederland. (…) De roze bril waarmee de spraakmakende gemeente in ons land naar het verleden placht te kijken, wordt recentelijk wat vaker afgezet dan vroeger. Daardoor werd duidelijk dat er maar liefst drie historische lijken in de kast liggen.’ En dat zijn volgens de schrijver, die ze liever ‘ereschulden’ noemt: de jodenvervolging, het Nederlands-Indische koloniale verleden (‘verdiende Van Heutz wel een standbeeld?’) en (‘pas de laatste jaren’) de slavenhandel.

Welbeschouwd is de boosheid van Emmer en De Heijder een geschenk uit de hemel, omdat het aantoont dat het hoog tijd wordt dat de discussie die Emmer in zijn boek oproept met de vergelijking tussen de drie ereschulden de gemiddelde ‘onwetende’ bezoeker van deze tentoonstelling bereikt. Eigenlijk vind ik dat suikerklontjespaleis dat het misnoegen van beide heren heeft opgewekt nog het meest geslaagde voorbeeld van wat Emmer noemde ‘het afzetten van de roze bril’.

Eckhout: boze hoogleraren

Pepijn Bandon, ‘Johan Maurits deed zelf mee aan slavenhandel’, De Volkskrant  6 mei 2019

Charles R. Boxer, De Nederlanders in Brazilië 1624-1654, Amsterdam: Uitgeverij Atlas 1993

P.C. Emmer, De Nederlandse Slavenhandel 1500-1850,  Amsterdam: Uitgeverij Arbeidspers 2000 (2e druk 2019).

P.C. Emmer & Henk den Heijer, ‘Hedendaagse bijschriften maken Maurits “bad guy”’, De Volkskrant 1 mei 2019

Lea van Vinde & Erik Odegard, ‘Mauritshuis toont met opzet verschillende visies’, De Volkskrant 8 mei 2019

Dit bericht is geplaatst in Essays, Recensies. Bookmark de permalink.