De schilderijen van de Djaya Brothers nu in het Stedelijk en de schrijfmachine van Mohammed Hatta straks in het Rijks

OP 13 september 2017 introduceerde Beatrix Ruf haar nieuwe concept voor de presentatie van de collectie. Een onderdeel daarvan is ‘Stedelijk turns’: de collectie in actuele en thematische presentaties op de begane grond. Dat is precies datgene wat de Amsterdamse Kunstraad in zijn merkwaardige advies van 11 juni 2018 over het Stedelijk (waarover de volgende keer meer) als een eigen vondst  onder de ‘Het museum als dynamisch geheugen’ voorstelt. Ruf past dus uitstekend in het advies en het wachten is slechts op een beslissing van de Raad van Toezicht van het museum om de schandelijke manier waarop Ruf in oktober 2017 uit het museum is gewerkt recht te zetten (zie daarover mijn opinie in het Parool van 14 juni 2018 (https://www.parool.nl/opinie/-stedelijk-in-gevaar-door-noodlottige-ingrepen-gemeente~a4599864/).

Agoes Djaya Strijd 1944

In het kader van deze ‘turn’ is er nu een kleine tentoonstelling gemaakt door gastcurator Kerstin Winking ‘The Djaya Brothers: Revolusie in the Stedelijk’ waar werk is te zien van deze twee broers (adellijke javanen) die in 1947 op uitnodiging van de Nederlandse regering in Nederland verbleven. Hun werk werd in de periode van hun verblijf in verschillende tentoonstellingen in Nederland getoond, voor het eerst als solo in het Stedelijk begeleid door een kleine catalogus met een inleiding van Sandberg. Deze catalogus is op de huidige tentoonstelling te zien, evenals brieven van één van de broers. Ze hadden op Java een HBS opleiding gehad. Zelden zag ik een brief in zo onberispelijk schuinschrift dat toen op Nederlandse scholen werd geleerd in zo onberispelijk grammaticaal Nederlands. Het gaat over één van de schilderijen die hij aan het Stedelijk heeft geschonken. Deze geschonken schilderijen vormen de kern van de Djaya collectie in het Stedelijk die na 1947 in een diepe winterslaap in de depots is verdwenen, maar dank zij ‘Turn’ zeventig jaar later weer uit hun slaap zijn gewekt.

Agoes Djaya Droom van Maya 1941

De Djaya’s waren na de onafhankelijkheid voor de jonge republiek gaan werken. Hun missie was het promoten van de nieuwe Indonesische kunst die in de Japanse tijd was ontstaan en die zich afzette tegen het ‘mooi Indië’ van de Nederlandse koloniale schilderkunst (schilderijen met romantische afbeeldingen van rokende vulkanen, idyllische rijstvelden met klapperbomen eromheen en ‘inlanders’ met balen rijst aan een stok over hun schouder). Deze nieuwe kunst zocht aansluiting bij de inheemse afbeeldingstradities die bij mythen en legenden in de eigen hindu-javaanse cultuur werden gemaakt. De tocht naar Nederland met een grote collectie schilderijen (op de stoomboot Nieuw-Holland) in 1947 beoogde deze nieuwe puur Indonesische kunst in het land van de voormalige (‘voormalig’: dat had de Nederlandse regering in 1947 nog niet in de gaten) bekend te maken. Het Parool (geciteerd in het artikel van Lizzy van Leeuwen) schreef in 1947: ‘De tentoonstelling moet men opvatten als een hoffelijke geste jegens twee Indonesiërs. Dat neemt niet weg dat men zich –artistiek gesproken- mag afvragen of men er goed aandeed, zo hoffelijk te zijn. Een hoffelijke misgreep.’ Andere kranten hielden zich in vriendelijke toonzetting meer op de vlakte. De ontvangst in progressief Nederland kwam volgens Lizzy van Leeuwen (zij citeert op dit punt Helena Spanjaard die in haar monografie tot een soortgelijke conclusie komt) voort uit een ‘zoetgevooisde culturele welwillendheid’. Het was de tijd van het Linggadjati akkoord dat een paragraaf over cultuur kende. Een krant in de kolonie refereerde aan deze nieuwe kunst als kunst in de geest van Linggadjati. In het moederland werd in 1947 de Stichting Culturele Samenwerking (Sticusa) opgericht bedoeld om een brug te slaan tussen de Nederlandse cultuur en de culturen van de (voormalige) koloniën. Deze ambivalente cultureel-politieke context belicht de tentoonstelling niet: de ‘Turn’ gaat niet verder dan de kelders van het Stedelijk. Dat deed ook het symposium van 20 juni (met overigens interessante Indonesische sprekers over de wordingsgeschiedenis van deze nieuwe Indonesische kunst) te weinig. Het lijkt erop dat in de Nederlands-Indonesische geschiedschrijving de klok ergens in de periode 1945-1949 stil is blijven staan (zie mijn blog over de post-koloniale beeldenstorm http://www.egbertdommering.nl/?p=1068).  Over het post-koloniale Indonesië publiceert een Belgische  auteur  David Reybrouck (van het boek Congo) in 2019 een boek. Cultureel is er heel weinig gedaan om de moderne Indonesische kunst in Nederland te tonen. Een grote tentoonstelling die een echte confrontatie met de geschiedenis werd is vorig jaar niet in Amsterdam maar in Brussel gehouden (zie mijn blog over Indonesische kunst 1835-nu  http://www.egbertdommering.nl/?p=1009).

Gaat dat nu veranderen? Het juni symposium was door het Stedelijk samen met het Rijksmuseum georganiseerd. In haar inleiding kondigde het hoofd van de Geschiedenisafdeling van het Rijksmuseum, Martine Gosselink, een over twee jaar in het Rijks te verwachten tentoonstelling ‘Revolusi. Indonesia and the Netherlands 1945-1950’ aan. Dit moet een tentoonstelling in ‘voorwerpen’ worden, iets wat onder historici nogal trendy is. Ze gaf als voorbeeld de schrijfmachine van Mohammed Hatta (met Soekarno een

Mohammed Hatta

revolutionair van het eerste uur) die in het Internationaal Instituut voor sociale geschiedenis (IISG) in Amsterdam wordt bewaard. Maar wat voor historische verhaal gaat het Rijks bij die machine vertellen? Als het de schrijfmachine is die Hatta tijdens zijn studietijd in de jaren twintig in Nederland gebruikte zal hij er geschriften op hebben getikt als lid van Indische Vereniging (PI: Perhimpoenan Indonesia) voor het oprichtingscongres in 1927 van de ‘Liga tegen Imperialisme en koloniale onderdrukking’. Hij werd met enige medeleden in Nederland wegens opruiing vervolgd en in voorarrest opgesloten. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij op die machine waarschijnlijk de brochure Indonesië vrij die hij als verdedigingsrede in zijn zaak  bij de Haagse Rechtbank uitsprak.

De soort schrijfmachine die Hatta in 1927 gebruikte

Er volgde vrijspraak. Uit deze boeiende tekst een citaat: ‘Edelachtbare heren als ik nu gekomen ben aan het einde van mijn pleidooi dan wil ik even van mijn positie van beklaagde gebruikmaken voor een aanklacht tegen het onrecht dat mijn volk voortdurend is aangedaan.’ En ook tegen de Indonesische studenten in Nederland: ‘Wij meenden dat wij hier in het land van Grotius, waar men de grondrechten der vrije burgers zo hoog opgeeft, in hetzelfde genot zouden zijn van die elementaire rechten. Maar neen!’ Het zou interessant zijn om bij die schrijfmachine een geluidsopname te laten horen van een acteur die fragmenten van deze tekst declameert. Maar ik ben er niet zeker van of dat  in het tentoonstellingsconcept zal passen.

 

 

Literatuur:

Mohammed Hatta, Verspreide Geschriften, Djakarta/Amsterdam: C.P.J. van der Peet 1952 (‘Indonesië Vrij’, p. 210-311)

Lizzy van Leeuwen, Postkoloniale boemerang, De Groene Amsterdammer 20 juni 2018

Essay Kerstin Winking https://www.stedelijk.nl/nl/digdeeper/de-strijd-tegen-koloniale-machtsaanspraken 2018

Helena Spanjaard, Moderne Indonesische Schilderkunst, Schuyt Nederland 2013.

Dit bericht is geplaatst in Kunstenaars, Recensies. Bookmark de permalink.