De postkoloniale beeldenstorm en de morele auteursrechten van de beeldhouwer Frits van Hall, auteur van het Van Heutzmonument in Amsterdam-Zuid

Op 25 april hield de Leidse hoogleraar Gert Oostindie, directeur van het Koninklijke Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), in het Rijksmuseum de 5e Daendelslezing onder de titel ‘Postkoloniale beeldenstormen’. Deze lezingen worden sinds 2008 georganiseerd door de stichting Daendels, opgericht met geld van een nazaat van Daendels (http://stichtingdaendels.nl). Daendels kennen wij als de generaal uit de Bataafse Republiek, maar vooral ook als de gouverneur die met harde hand de Postweg op Java heeft aangelegd.

Daendels postweg

Over Daendels hield de grote kenner van deze periode Peter Carey (zie mijn blog over de postkoloniale erfenis http://www.egbertdommering.nl/?p=973) in 2013 een fascinerende Daendelslezing (in pdf beschikbaar op de Daendels site). Er is het nodige te doen hoe wij moeten omgaan met ons koloniale verleden. Dat loopt van ‘Zwarte Piet’ tot het bezit en de tentoonstelling van kunstschatten uit onze voormalige koloniën. Ik heb er in deze blogs al veel aandacht aan besteed, niet alleen over de vraag of er erfgoed moet worden teruggegeven (in de geciteerde blog) maar ook over onze huidige en historische relatie met Indonesië (  http://www.egbertdommering.nl/?p=873 over kunstenaars in Nederland met een Indonesisch verleden en http://www.egbertdommering.nl/?p=1009 over de Indonesië tentoonstellingen in het Brusselse Bozar in 2017). Uit laatstgenoemd blog citeer ik:

‘Sjahir[1] noteert in Indonesische Overpeinzingen op 19 februari 1936: ”Van één ding ben ik zeker: dat deze koloniale regering en meer nog, de koloniserende Nederlanders er eens spijt van zullen hebben, dat ze nooit de politiek van grote lijnen, van verre perspectieven hebben gevoerd, aangepast aan de moderne, veranderende wereldstructuur, dat ze nooit en nooit, zelfs maar één moment, aan bewuste, culturele politiek voor de bevolking van Indonesië hebben gedacht! Ik voor mij ben ervan overtuigd dat deze kortzichtigheid, deze befaamde Hollandse ‘degelijkheid’ en het gemis aan verbeelding en durf zich van nu af aan zullen gaan wreken.” En dat is nog steeds zo. De grammofoonplaat van dit koloniale verleden is ergens in een groef tussen “Mooi Indië” en het “Verloren Indië” blijven hangen. Daarom dat een open tentoonstelling als deze nooit in Nederland is gemaakt en voorlopig ook niet gemaakt zal worden. Wel schuld en boete tentoonstellingen zoals die over Afrika in het Rijksmuseum en straks die over slavernij. Het zijn de “heggen en greppels” van het Hollandse landschap die zich vertalen in een calvinistisch wereldbeeld van de Nederlanders, zoals Sjahir het in zijn overpeinzingen onder woorden bracht. Wij zijn in de greppel van de politionele acties blijven steken.’

Het was dus interessant om te horen wat Oostindie, een van de initiatiefnemers naar het nieuwe historische onderzoek naar de politionele acties (en dus zelf kort geleden weer enthousiast in deze historische greppel gedoken), over deze materie te melden had. Hij bepleit een genuanceerde benadering van hoe met deze geschiedenis om te gaan, maar bij een concrete toetsing bleek dat toch een tamelijk oppervlakkige politieke correctheid te zijn. Zo schrijft hij over het Van Heutzmonument dat dit al bij de oprichting in 1932 in het linkse Amsterdam weerstand opriep, in 1967 het voorwerp werd van een politieke terreuraanslag  en ‘uiteindelijk’ (bedoeld is: 2007) grondig werd verbouwd tot het ‘Monument Indië-Nederland’. Hij schrijft: ‘De symboliek van het nieuwe monument wil vooral geen aanstoot geven en beoogt een neutrale herinnering te zijn van het inderdaad onomstotelijke feit dat Nederland en Indië vier eeuwen met elkaar verbonden waren. Hoe die verbondenheid tot stand kwam en werd ontwikkeld, wie ervan profiteerde, welk verzet het opriep- dit alles wordt niet verbeeld.’ Wie zich in de geschiedenis van het monument en de maker Frits van Hall verdiept en ter plaatse het monument gaat bekijken, zal moeten constateren dat deze gedaanteverwisseling een aanstootgevende geschiedvervalsing is en bovendien een ernstige schending van het morele recht van Van Hall. Er is meer. Op mijn vraag aan hem na de rede, hoe wij culturele bruggen met Indonesië en koloniaal erfgoed kunnen bouwen, zolang wij de datum 17 augustus 1945 niet als het begin van de republiek Indonesia erkennen, antwoordde Oostindie dat hij lang geleden al een petitie had ondertekend dat wij dat zouden moeten doen, maar dat hij dit toch eigenlijk oninteressante symboolpolitiek vond. Symboolpolitiek? Ook hier levert het Van Heutzmonument interessante stof tot overpeinzing. Laat ik eerst iets zeggen over die koloniale soevereiniteit en dan over de geschiedenis van het monument en de rol  daarbij van Frits van Hall.

Je kunt in de soevereiniteitsgeschiedenis tussen Nederland en Indonesië vier fasen onderkennen. De eerste is die van de VOC die op basis van het recht van vrije vaart (mare liberum) en vrijheid van handel met evenwaardige Indische partners de eerder aldaar aanwezige Portugezen eruit gedrukt heeft. De juridische basis daarvoor legde Hugo de Groot. Hoewel Coen al een echte gebiedsveroveraar werd, trad hij nog op namens de VOC en blijft deze eerste fase toch gekenmerkt door een horizontale relatie tussen de Nederlandse kooplieden en de feodale soevereine vorsten met wie zij zaken deden. In de tweede fase, na de liquidatie van de VOC, vestigt de Nederlandse Staat op basis van feitelijke machtsusurpatie Nederlands koloniaal gezag. Daendels is hierin een sleutelfiguur. Hij, en later tijdens het Engelse interregnum Raffles, breekt de soevereiniteit van de vorsten in de Javaanse binnenlanden af. Daendels doet dat ook in de cultuur, zoals Carey laat zien. Hij voert militaire uniformen aan de Javaanse hoven in en negeert de conventie van de hoog-Javaanse hoftaal door Nederlanders pasar Maleis te laten spreken, in de ogen van de Javaanse adel een proletariërstaal. De derde fase is die van de zedelijke zorgverplichting. Deze ‘ethisch politiek’ schiep voor Nederlanders de verplichting te zorgen voor de onvoldoende ‘ontwikkelde’ plaatselijke bevolking. Dit is dus een paternalistische soevereiniteit die volgt op de van boven opgelegde machtssoevereiniteit. De vierde fase is de ‘Indonesische’ volkssoevereiniteit. Die tekent zich al in de jaren dertig af. Zo schrijft Edgar Du Perron in het Indisch Memorandum uit die tijd over zijn ontmoeting met ‘Indonesiërs’ toen de Nederlandse kolonisten nog over ‘inlanders’ spraken. ‘Indonesiër’ was een geuzenterm. Du Perron: ‘Zij schreven algemeen maleis, en waren als zodanig al in verzet tegen een bepaalde cultuur; van de Boroboedoer… de cultuur van Madjapaït (een oud-Javaans vorstenhuis) wilden zij niets weten; die konden zij niet meer “gebruiken”.’ Het is deze volkssoevereiniteit die de grondslag vormt voor de proclamatie die Soekarno op 17 augustus 1945 (na de bom op Hiroshima) in een achtertuin in het toenmalige Batavia uitsprak: ‘Wij het volk van Indonesië roepen hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië uit.’

Proklamasi 17 augustus 1945

Als je dat vergelijkt met de geschiedenis in Europa, kun je zeggen dat de revoluties in de postkoloniale landen een dubbel karakter hadden: als ‘Indonesiër’ wierpen zij het Javaanse feodale gezag af (maar dat was door de kolonisten al danig op de proef gesteld) en als gekoloniseerde tegelijkertijd het koloniale gezag dat daarmee op een lijn viel te stellen. Het zijn revoluties vergelijkbaar met de Franse waar de Indonesische revolutionairen zich door lieten inspireren: zij lazen immers net als hun prerevolutionaire voorgangers in Frankrijk de ‘philosophes’. Het theoretische fundament voor hun eigen revolutie was hen aangereikt door de Europese geschiedenis. Als je dus zegt dat de erkenning van de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring symboolpolitiek is, zeg je eigenlijk dat het uitroepen van de eerste Franse republiek symboolpolitiek was. En als je zegt dat de Nederlandse soevereiniteitsoverdracht in 1949 evenwaardig is, zeg je dus eigenlijk dat de Franse republiek soeverein is omdat Lodewijk XVI zijn gezag aan die republiek heeft ‘overgedragen’.

En dan nu het Van Heutzmonument. De maker Frits van Hall (1899-1945) is op Midden-Java geboren waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij had ‘Indisch bloed’. In 1905 keerde het gezin Van Hall naar Nederland terug. Van Hall genoot zijn opleiding aan de Rijksakademie, toen nog gevestigd aan de Stadhouderskade in Amsterdam. In het bronzen deurportaal van het gebouw is nog een reliëf van hem te vinden. Tot zijn medeleerlingen beeldhouwen behoorde onder meer Mari Andriessen (die ook het voorwoord schreef bij de monografie over hem van 1946). Hij kreeg al snel bekendheid als beeldhouwer en verwierf aldus samen met de architect Friedhoff in 1933 de opdracht voor het monument. Dat was voor links controversieel en dat is de reden dat Mari Andriessen die op dat moment al communist was (Van Hall werd dat pas later) er niet aan mee dorst te doen. Toen het ontwerp naar buiten kwam verzetten de koloniale rechtse fracties zich ertegen. De grote plek die er op het Olympiaplein voor uitgekozen was zou geen heroïsch ruiterstandbeeld van Van Heutz bevatten, zoals men had verwacht, maar in plaats daarvan een vredeshof.

Van Heutzmonument als symbool van eenheid

In het midden aan de vijver troont op een hoog voetstuk een vrouwenfiguur die de Nederlandse Staat moet verbeelden, maar iets heeft van een oosterse godin (Van Hall liet zich in zijn werk door de Javaanse beeldhouwkunst inspireren). Boven haar uit straalt een zonnekrans als een triomfboog, onder haar – ondergeschikt- is op het voetstuk het medaillon met de kop van de generaal aangebracht. Aan weerszijden heeft Friedhoff twee fraai uitwaaierende rode bakstenen muren met open bogen ontworpen. Hiervoor heeft Van Hall reliëfs gemaakt die geïnspireerd zijn op die van de boeddhistische tempel Boroboedoer op Java. Deze reliëfs verbeelden de eilanden in de Archipel. Op dat van Atjeh

Reliëf Atjeh

is geen Hollandse soldaat te bekennen. Het monument viel dus aan beide kanten van het politieke spectrum verkeerd. Scholten in zijn monografie: ’De wrange ironie van de conceptie van Van Hall en Friedhoff is dat hun “monument van de eenheid” decennialang juist een monument van tweestrijd zou blijven.’ Toen Van Hall eind jaren dertig naar links opschoof, vroeg een leerling van hem hoe een communist ooit de opdracht voor dit monument had kunnen aanvaarden. Van Hall zei: ‘Jij kijkt niet goed, ga maar eens mee.’ Zij gingen naar het Olympiaplein en volgens de getuigenis van deze leerling-beeldhouwer Meefout, toonde hij hem de reliëfs die de eilanden vertegenwoordigden en de vrouwenfiguur. Die vond Meefout prachtig maar hij vond het medaillon van Van Heutz onvergeeflijk. Van Hall reageerde toen: ‘Als het hier ooit zover komt, dan mag je met een koevoet dat portret verwijderen. Vervang het door de letters Vrijheid, Merdeka, of Indonesia, en je hebt een Vrijheidsbeeld.’

Van Hall ging tijdens de bezetting in het verzet, werd in 1944 afgevoerd naar Dachau en bij de bevrijding van dit kamp door de Russische troepen doodgeschoten. Wij gedenken hem in zijn schitterende beelden. Dit van Heutzmonument behoort in het aan openbare beelden schaarse  Nederland tot een van de mooiste monumenten die er is. Totdat in 2001 het stadsdeelbestuur in Amsterdam Oud-Zuid toesloeg. Het monument was in de jaren negentig het voorwerp van terreuraanslagen geweest waarbij onder meer het medaillon werd gestolen. In 2001 maakte het stadsdeelbestuur er daarom op advies van het Instituut Clingendael een monument Indië-Nederland van. Dit concept werd in 2007 vormgegeven door de kunstenaar Jan Kleingeld door plaatsing van aan weerszijden van de rechter muur met de bogen dwars op die muur staande puzzelstukjes. Ze zijn van gele steen, zodat ze vloeken met de rode bakstenen muur van het monument. Op het eerst puzzelstukje aan de voorkant staat aan de linkerkant een reeks jaartallen  onder elkaar 1596-1935-1945-1949-2001-2007. Op het rechter segment staan in grote letters onder elkaar drie woorden: ‘Innig-Nederlands-Indië’. Aan de andere kant, evenals bij de andere gele muurtjes, prijken plaatjes van koloniale en ‘Indonesische’ illustraties. Aan de achterkant van het monument van Van Hall en Friedhoff is een plaquette aangebracht waarop het allemaal wordt uitgelegd. ‘1596’ staat voor de eerste Nederlandse landing op Java, ‘1935’ voor de onthulling van het Van Heutz monument, ‘1945’ voor de proclamatie van Soekarno, ‘1949’ voor de ‘soevereiniteitsoverdracht’, ‘2001’ voor het kloeke besluit van het stadsdeelbestuur en ‘2007’ voor de uitvoering daarvan door Kleingeld. Over de proclamatie van Soekarno zegt de plaquette dat het stadsbestuur die ‘erkent’ (het feit van de proclamatie dus, niet het feit dat de proclamatie teweeg bracht), over 1596-1949 dat dit de Nederlandse periode markeert, en impliciet zegt de verklaring dat het besluit van het stadsdeelbestuur van 2001 op gelijke hoogte staat met die eerdere historische jaartallen, want de bestuurders van de stadsdeelraad in Amsterdam Oud-Zuid zijn tenslotte ook geen kleine jongens. Wat ‘innig’ betekent wordt niet uitgelegd, maar het zullen waarschijnlijk de politionele acties niet zijn.

Innig Nederlands Indië

Als geheel is  de ‘aanslag’ op het monument van 2001-2007 een schending van de morele rechten van de kunstenaars omdat het qua vorm en inhoud de integriteit van hun artistieke schepping vervalst. Historisch is het eveneens een vervalsing van formaat, omdat het de geschiedenis niet vertelt. Na de roof van het medaillon (waarschijnlijk met een koevoet), was historisch en artistiek de enig juiste optie geweest om op de plek van het medaillon de tekst aan te brengen: ‘Aan de vrije republiek Indonesia’. Maar ik denk dat het met die symboolpolitiek in Nederland niet zo gemakkelijk gaat. We moeten niet vergeten dat vóór de antikoloniale aanslagen op het monument in de jaren negentig de toenmalige burgemeester van Amsterdam, Van Hall (de neef van Frits!) in 1961 de opvoering van het toneelstuk Jan Pieterszoon Coen van Slauerhoff door het Amsterdams studententoneel heeft verboden, omdat dat in verband met ons geschil met Indonesië over de onafhankelijkheid van Nieuw Guinea (de ‘Nieuw Guineakwestie’) ongewenst was. Ik heb daar als student nog met leden van het dispuut BREERO van het Amsterdamse Corps, dat bij die uitvoering betrokken was, bij dit monument tegen gedemonstreerd. Dat was een andere tijd.. ., zullen enkelen denken: nu hebben wij wroeging over het kolonialisme. Maar als je die spreuk nu zou aanbrengen, is er misschien toch aandrang uit de Haagse politiek het liever niet te doen, omdat het niet opportuun is, omdat wij, ja,  omdat we dit soort monumenten alleen voor het echte vaderlandse patriottisme toelaten en het ‘ongebruikelijk’ is de vrijheidsgeschiedenis van buitenlandse staten te herdenken. Dat kan alleen maar leiden tot ordeverstoringen. Of soortgelijke kletsargumenten. Vertel mij wat over Nederlandse symboolpolitiek.

Demonstratie 1961 tegen verbod opvoering Coen van Slauerhoff

 

Geraadpleegde literatuur:

Hein Aalders, ‘Een “ploertig stuk” en de openbare orde,’ in: De Parelduiker 22-1,  Amsterdam: Het oog in ’t Zeil, 2017, p. 44-60 over het verbieden van de uitvoering van J.P Coen van Slauerhoff in 1961.

Peter Carey, Daendels and the sacred Space of Java, 1808-1813, Nijmegen: Uitgeverij Van Tilt 2013, http://stichtingdaendels.nl/wp-content/uploads/2015/11/daendelslezing_2013_CareyKL.pdf over de rol van Daendels in het vestigen van staatssoevereiniteit in Nederlands-Indië.

Egbert Dommering, Het Verschil van Mening, Amsterdam: Prometheus 2016, hoofdstuk 4 over de rol van Hugo de Groot en Indië.

J.A.A. van Doorn, Indische Lessen, Amsterdam: Bert Bakker 1995, p. 28 e.v. over de ethisch politiek.

Edgar Du Perron, Indisch Memorandum, in: Du Perron Verzameld Werk Deel 7, Amsterdam: G.A. van Oorschot 1959, p. 42 e.v. over de rol van ‘Indonesische intellectuelen’.

Gert Oostindie, Postkoloniale Beeldenstormen, Nijmegen: Uitgeverij Van Tilt 2018.

Sutan Sjahir, Indonesische Overpeinzingen, Amsterdam: De Bezige Bij 1966 (Kwadraat Pocket 27).

Frits Scholten, Frits van Hall, beeldhouwer van de gereserveerde gratie, Zwolle: Waanders uitgevers 2016.

De beeldhouwer F.J. van Hall, Amsterdam: Uitgeversbedrijf ‘De Spieghel’ 1946 (met een voorwoord van Mari Andriessen.

[1] Sjahir was een van de gematigden in de groep rond Soekarno die door Nederland in de prerevolutionaire periode in het concentratiekamp Boven-Digoel in Nieuw Guinea is opgesloten.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.