Twee toptentoonstellingen in 2018: Gauguin en Laval op Martinique (Van Gogh Museum Amsterdam) en Oceanië (Royal Academy Londen)

Gauguin Mangobomen voorstudie

In 1886 ging Paul Gauguin naar Pont-Aven in Bretagne waar hij Laval ontmoette. Samen besluiten zij in april 1887 naar het Franse Martinique in het Caribische gebied te gaan. Ze maken er het werk dat op deze tentoonstelling te zien was. Het is zijn eerste ‘vertrek’ uit de Westerse beschaving. Hij blijft er niet lang want al in augustus keert hij ziek terug. In 1888 verblijft hij in Arles bij Van Gogh om daarna weer in Pont-Aven te gaan werken. In Parijs had hij op de wereldtentoonstelling het Franse paviljoen over de Franse kolonies in de Stille Zuidzee gezien. Hij wil er naartoe. In 1891 vertrekt hij naar Tahiti, waar hij tot de zomer 1893 verblijft. Het is letterlijk en figuurlijk zijn definitieve ‘vertrek’ uit de Westerse beschaving.  Na zijn terugkeer werkt hij in Europa aan zijn Tahiti oeuvre. In 1901 gaat hij naar een ander Frans Polynesisch eiland, Hiya Oa, waar hij tot zijn dood in 1903 verblijft.

Dit soort ‘vertrek’ uit de Westerse beschaving  naar een ‘primitieve wereld’ wordt tegenwoordig al snel afgedaan als (post) koloniaal gedrag en de kunst die het oplevert als de Westerse vertekening van de wereld. Op de tentoonstelling in het Van Gogh werd ervoor gewaarschuwd dat in sommige geciteerde briefteksten van Gauguin passages voorkwamen met een ‘racistisch, denigrerende en koloniale grondslag’. De waarschuwing werd door de pers al snel omgezet in een waardeoordeel. Sandra Smets op 10 december 2018 in NRC Handelsblad over deze tentoonstelling: ‘Dus hoe om te gaan met een tentoonstelling die tien jaar geleden nog zou zijn bejubeld en waar nu een dubieuze Westerse blik op valt? Het probleem zit dieper dan de disclaimer aan de ingang. De kunst zelf is koloniaal.(…) Dit zijn lastige tijden voor moderne meesters, ook #Me Too haalt veel onderuit. Schrap de blote dames en de exotische stranden en wat resteert uit de Westerse canon? Bloemstillevens. Dat is weinig hoor.’

Mangobomen schilderij

Dat lijkt me een versimpeling de andere kant op. Er is natuurlijk de discussie over de koloniale blik van de Franse Oriëntalisten in hun geschilderde naakte haremscènes, die ook Delacroix minder modern maakt dan we zouden willen. De wens uit de Westerse samenleving te vertrekken had echter ook een diepe artistiek-culturele drijfveer. De kunstenaarskolonies waar het ‘echte’, ‘primitieve’ leven geleefd en ervaren kon worden om je te onttrekken aan de industriële Westerse samenleving hebben een diepe bedding in de 19e eeuw. Pont-Aven (tussen het authentieke Bretonse vissersvolk) was er een nazaat van. In Duitsland (niet de sterkste koloniale natie) werd in 1890 de schilderkolonie Worpswede op het boerenland ten Zuiden van Bremen opgericht. De Duitse Brücke kunstenaars  bootsten de Zuidzee eerst rond de Duitse meren en de Oostzee na (een vriend schreef over Kirchner: ‘Moritzburg bei Dresden und Fehmarn an der Oostsee waren sein Tahiti.’). Alleen Max Pechstein uit deze groep trok naar de Zuidzee.

Er is bovendien een vrij sterke theorie die het primitivisme ziet als een begeleidend verschijnsel van het Europese classicisme. De Amerikaanse kunthistorica Franses Conelly: ‘It is my argument that the principal framework of ideas that defined “primitive art” was that of the classical tradition as institutionalized in academies of art throughout Europe. The classical norm cast the “primitive”as a dark mirror throughout Europe. (…) An increasing number of artists emulated one “primitive”model or another as a vehicle to escape or a weapon to attack the classical tradition.(…) Paul Gauguin took the next step. By extending his artistic production into areas traditionally deemed as craft, he intentionally broke the boundaries between the fine and the applied arts. Just as important, Gauguin made efforts to incorporate the ornamental characteristics associated with “primitive” art into his paintings.’ Dit is precies wat Matisse doet als hij Gauguin in 1930 nareist naar Tahiti. Zijn ornamenten worden tropische bladeren die weer ornamenten worden.

Matisse Océanie

Gauguin ontdekt in Martinique een nieuwe beeldtaal in kleur en ornament waarvan De Mangobomen wel het mooiste voorbeeld is. Uit de catalogus: ‘De overzichtelijke verdeling van figuren en vegetatie doen denken aan ‘De kunsten en de muzen’ van Puvis de Chavannes of zelfs ‘Het Eiland Grand Jatte’ van Seurat. Ook qua monumentaliteit en stilering komt De Mangobomen met deze werken overeen. De vergaande stilering doet vermoeden dat hij ze niet direct naar de werkelijkheid heeft geschilderd.’

Puvis de Chavannes Muzen

Maar het sprookje van de ‘Stille Zuidzee’ was het ultieme doel. Aan het begin van de 17e eeuw was het volkomen onbekend wat voor wereld zich daar bevond. De Portugese ontdekkingsreiziger Quirós maakte er een mislukte reis, maar dat verhinderde hem niet om in zijn boek over die reis verslag te doen van een paradijslijk groen en rijk continent dat een vierde deel van de aarde besloeg, bevolkt was met gemakkelijk tot Christen te bekeren bruine vreedzame mensen, zonder krokodillen en muggen, en geschikt om er 200.000 Spanjaarden te vestigen. In werkelijkheid was het een verzameling eilanden in een eindeloze plas water waarvan de bewoners de mythologie beleden dat ze door krokodillen (waarvan de vervaarlijke bek de boeg van hun lange boomstammen scheepjes sierde) waren gemaakt uit de zee, en waarvoor zij al vroeg navigatieschema’s van ligging, wind en stroming ontwierpen om er de verbindingen met hun ranke boomstammen tussen te kunnen onderhouden. Ze hadden daardoor een gemeenschappelijke cultuur op al die ver van elkaar afliggende eilanden die onnavolgbaar fraai deze winter in de Royal Academy was tentoongesteld.

Oceanië krokodilkano

Daar ging Gauguin in 1891 dus naar toe. Keek hij ernaar met de ogen van een Franse kolonist? Er staan ongetwijfeld in zijn verslag Noa Noa passages waar het Van Gogh museum voor zou hebben gewaarschuwd dat zij een ‘racistisch, denigrerende en koloniale grondslag’ hebben. Maar toch neemt hij al in het tweede hoofdstuk afstand van ‘du snobisme colonial d’une imitation puérile et grotesque jusqu’à la caricature’ van de Franse koloniale bevolking.  Daar ben ik niet voor gekomen, schrijft hij. Hij zoekt het pre-koloniale Tahiti. Langzaam leert hij de taal en gaat hij op in de bevolking.  Hij is bekritiseerd voor zijn ‘huwelijk’ met een jong Tahitiaans meisje, maar toch is dat niet terecht. Eerst ervaart hij de kloof die er is tussen haar ‘âme Ocánienne’ en zijn‘ âme latine, française surtout.’ Maar hij probeert toch in haar wereld door te dringen. Ze is door de Franse priesters tot het Christendom bekeerd, stelt hij vast, maar dat is maar een klein laagje vernis geweest, omdat hij langzamerhand de inheemse goden waarvan zij alle namen kent in haar ziet ontwaken. Het werk dat hij tijdens zijn verblijven produceert dringt diep in de oude sprookjeswereld van dit volk door. Ook de duistere kant ervan treft hij in zijn houtdrukken en olie op papier.

Beschilderde mantel Hawaï begin 19e eeuw

De organisatoren van Oceania gingen de koloniale vraag niet uit de weg. Veel van het Westerse museale bezit is immers door de Engelse captain Cook meegenomen, overigens niet altijd gekaapt, maar ook gekocht. Maar ze lieten ook zien dat Westerse kunstenaars betoverd raakten door het nieuwe kleurgebruik en de abstracte ornamentiek van dit Oceanische volk.  Dat heeft een blijvende stempel op de Westerse canon gedrukt: ‘Dat is veel hoor’, om in de terminologie van Sandra Smets te blijven.

Geraadpleegde literatuur:

Peter Brunt & Nicholas Thomas (red.) Oceania, Londen: Royal Academy Publications 2018

Frances Connelly, The Sleep of Reason, Primitivism in European Art and Aesthetics, Pennsylvania: The Pennsylvania State University Press 1999

Starr Figura e.a., Gauguin Metamorphoses, New York: Museum of Modern Art 2014

Paul Gauguin, Noa Noa, Voyage à Tahiti, Facsimile uitgave Stockholm: Jan Förlag 1947

Roelof van Gelder, Naar het Aards Paradijs, Amsterdam: Balans 2012

Charles Harrison, Francis Frascina & Gill Perry, Primitivism, Cubism, Abstraction, New Haven & Londen: Yale University Press 1993

Matisse et l’Océanie, Le voyage à Tahiti, Musée Matisse, Le Cateau Cambrésis 1998

Ralph Melcher (red), Die Brücke in der Südsee- Exotik der Farbe, Ostfildern-Ruit: Hatje Cantz 2006

Marije Vellekoop, Sjraar van Heugten & Ghanima Kowsolea (red.), Gauguin en Laval op Martinique, Amsterdam/Bussum: Van Gogh museum/Uitgeverij Toth 2018

Geplaatst in Essays, Kunstenaars | Getagged , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Twee toptentoonstellingen in 2018: Gauguin en Laval op Martinique (Van Gogh Museum Amsterdam) en Oceanië (Royal Academy Londen)

Terugblik op de Open Dagen 2018 van de Rijksakademie

De Rijksakademie toonde dit jaar een opmerkelijk generatiebeeld van de kunstenaars-residents. Het gaf veel stof tot nadenken. De eerste conclusie: alle beschouwingen over (post)modernisme en/of wat een kunstvoorwerp nu eigenlijk is sinds Duchamp een urinoir en Warhol een Brillo Box tentoonstelden, kunnen we in de kast zetten.

Installatie Omar Imam: altijd op weg

Lees verder

Geplaatst in Essays | Reacties uitgeschakeld voor Terugblik op de Open Dagen 2018 van de Rijksakademie

Ruf een jaar later

Een jaar geleden schreef ik naar aanleiding van wat inmiddels de affaire Ruf (de toenmalige directeur van het Stedelijk museum in Amsterdam) is gaan heten een blog (http://www.egbertdommering.nl/?p=1001). Ik noemde dat een ‘systeemcrash’ van het slecht functionerende bestuurssysteem van het Stedelijk. We zijn nu een jaar verder en, zoals na een crash gebruikelijk is, zien wij stilstand. Niet alleen bij het Museum, maar ook bij Ruf: Een rehabilitatie heeft niet plaatsgehad. Heden schreef ik daarover in Het Parool een opinie. U treft die hierbij aan. Lees verder

Geplaatst in Essays | Reacties uitgeschakeld voor Ruf een jaar later

Waarom de biënnale in Riga (Letland) deze zomer en herfst misschien toch de beste optie is (nog open tot 28 oktober 2018)

Ik heb drie redenen bedacht waarom dit zo is. 1. Dit is de eerste biënnale in Riga (aangeduid als ‘RIBOCA1’) en daarom een vitaal startpunt. Zij gaat niet gebukt onder versleten intellectuele formules en locaties, zoals Venetië (landenpaviljoens) en de Dokumenta (WO II, koude oorlog), 2. Er is een perfecte match tussen locatie en inhoud. De Manifesta legt altijd een geforceerd verband tussen die twee met tot gevolg dat het meestal alleen locatie is, 3. Het thema van de tentoonstelling is het ‘anthropoceen’ (kort gezegd: het tijdperk van de door de mens beheerste natuur). Omdat er is gekozen voor jongere kunstenaars (in totaal participeren plm. 90 kunstenaars) die midden in dat tijdperk leven (ik noem het maar de ‘generatie van tachtig’ uit het tijdvak 1975-1985) is dit een spannende en vitale confrontatie voor de toeschouwer en niet een door een curator bedachte ‘laatste modethema’. Katharina Gregos tekent voor deze RIBOCA1. In het verleden schoot ze wel eens door in het politieke engagement (zie mijn blog http://www.egbertdommering.nl/?p=156); hier heeft zij een succesvol evenwicht bereikt.

James Beckett, Palace Ruin 2016

Lees verder

Geplaatst in Uncategorized | Reacties uitgeschakeld voor Waarom de biënnale in Riga (Letland) deze zomer en herfst misschien toch de beste optie is (nog open tot 28 oktober 2018)

De schilderijen van de Djaya Brothers nu in het Stedelijk en de schrijfmachine van Mohammed Hatta straks in het Rijks

OP 13 september 2017 introduceerde Beatrix Ruf haar nieuwe concept voor de presentatie van de collectie. Een onderdeel daarvan is ‘Stedelijk turns’: de collectie in actuele en thematische presentaties op de begane grond. Dat is precies datgene wat de Amsterdamse Kunstraad in zijn merkwaardige advies van 11 juni 2018 over het Stedelijk (waarover de volgende keer meer) als een eigen vondst  onder de ‘Het museum als dynamisch geheugen’ voorstelt. Ruf past dus uitstekend in het advies en het wachten is slechts op een beslissing van de Raad van Toezicht van het museum om de schandelijke manier waarop Ruf in oktober 2017 uit het museum is gewerkt recht te zetten (zie daarover mijn opinie in het Parool van 14 juni 2018 (https://www.parool.nl/opinie/-stedelijk-in-gevaar-door-noodlottige-ingrepen-gemeente~a4599864/).

Agoes Djaya Strijd 1944

Lees verder

Geplaatst in Kunstenaars, Recensies | Reacties uitgeschakeld voor De schilderijen van de Djaya Brothers nu in het Stedelijk en de schrijfmachine van Mohammed Hatta straks in het Rijks

De postkoloniale beeldenstorm en de morele auteursrechten van de beeldhouwer Frits van Hall, auteur van het Van Heutzmonument in Amsterdam-Zuid

Op 25 april hield de Leidse hoogleraar Gert Oostindie, directeur van het Koninklijke Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), in het Rijksmuseum de 5e Daendelslezing onder de titel ‘Postkoloniale beeldenstormen’. Deze lezingen worden sinds 2008 georganiseerd door de stichting Daendels, opgericht met geld van een nazaat van Daendels (http://stichtingdaendels.nl). Daendels kennen wij als de generaal uit de Bataafse Republiek, maar vooral ook als de gouverneur die met harde hand de Postweg op Java heeft aangelegd.

Daendels postweg

Lees verder

Geplaatst in Essays | Reacties uitgeschakeld voor De postkoloniale beeldenstorm en de morele auteursrechten van de beeldhouwer Frits van Hall, auteur van het Van Heutzmonument in Amsterdam-Zuid

Fernand Léger in Bozar

In Bozar in Brussel zijn op het ogenblik twee boeiende tentoonstellingen. Eén over de Franse schilder Fernand Léger. Deze tentoonstelling is een samenwerking met het Centre Pompidou in Metz en loopt tot 3 juni van dit jaar. De tweede gaat over wat is gaan heten ‘Het Spaanse Stilleven’. Het is in Europa de eerste grote tentoonstelling over dit onderwerp sinds die in de National Gallery in Londen in 1995. Zij loopt tot 27 mei. Ik zal nu eerst over Léger schrijven, later een stuk over die adembenemende ‘Spaanse stillevens’.

Léger Decor La Création du Monde

Lees verder

Geplaatst in Essays, Kunstenaars | Reacties uitgeschakeld voor Fernand Léger in Bozar

De Borgmann collectie in het Stedelijk Museum in Amsterdam

Onder de titel ‘Jump into the Future’ is tot 4 maart in dertig zalen te zien de gehele donatie (De Rijke en De Rooij, Cosima von Bonin, Zobernig e.a.)/lening (Isa Genzken, Martin Kippenberger)/aankoop (o.a. Matt Mullican) bestaande uit 217 werken (647 objecten) van de Duitse galeriehouder/verzamelaar Thomas Borgmann (Hamburg 1942).

Cosima von Bohin

Lees verder

Geplaatst in Essays, Recensies | Reacties uitgeschakeld voor De Borgmann collectie in het Stedelijk Museum in Amsterdam

De Hongaarse kunstenaar Tamás Kaszás in de Appel in Amsterdam

Het werk van Kaszás (1976) is met een begeleidend programma tot 31 maart in Amsterdam in de Appel en -in samenwerking-  bij Netwerk Aalst in Aalst in België te zien. Het is een ‘ouderwetse’ Appel tentoonstelling met veel energie die veel stof tot nadenken geeft. Kaszás is al vroeg geïnteresseerd geraakt in wat er aan anarchistische bewegingen in Hongarije bestond. Als beeldtaal gebruikt hij symboliek ontleend aan de politieke propagandakunst uit de begintijd van de Russische revolutie (Agitprop).

Agitprop affiche

Lees verder

Geplaatst in Kunstenaars | Reacties uitgeschakeld voor De Hongaarse kunstenaar Tamás Kaszás in de Appel in Amsterdam

Nieuwe collectiepresentaties in Boijmans, Van Abbe, De Pont en het Stedelijk

Het samenstellen en presenteren van een vaste openbare collectie van beeldende kunst is een van de moeilijkste dingen die er is. De samenstelling van de collectie berust op subjectieve momenten in het verleden (de smaak van de opeenvolgende directeuren van het museum, het toeval van de schenking, de gelegenheid van de verwerving), het museum is in een andere tijd neergezet zodat het dikwijls niet voldoet aan de huidige behoeften, de tijd en de kennis en verwachtingen van het publiek veranderen. Dus doen alle directeuren van musea hun best om telkens ‘een nieuw licht’ op de verzameling te werpen. In Nederland is dat dit najaar gebeurd in de musea Boijmans in Roterdam, Van Abbe in Eindhoven, De Pont in Tilburg en het Stedelijk in Amsterdam. Welk criterium moet je voor de beoordeling aanleggen? Misschien wel het ‘nieuw licht’ criterium nader ingevuld als: heb je een bekend werk weer als nieuw en verrassend gezien? Volgens dat criterium vallen  Van Abbe en het Stedelijk om verschillende redenen af. Maar laten we eerst naar de geslaagde voorbeelden kijken.

Van Meegeren Boijmans (op de achtergrond Charley Toorop)

 

In museum Boijmans is de samensteller Carel Blotkamp van de presentatie ‘De collectie als tijdmachine’ erin geslaagd het ingeslapen en aan renovatie toe zijnde oude gebouw tot leven te brengen door bijzondere kleurstellingen van de muren (adviezen van Peter Struycken) en belichting. De keuze voor tijdblokken met daarbinnen het opnemen van

Kees Timmer

minder bekende goden, zoals Karel Timmer, of apocriefe zoals de Vermeervervalsing (zie afbeelding hierboven), de Emmaüsgangers door Van Meegeren leiden tot schokken van herkenning en verrassing. Waarom hebben de Vermeerkenners destijds niet gezien dat dit schilderij helemaal in de stijl van de jaren dertig was geschilderd die we er nu naast zien hangen? En waarom was Kees Timmer naar de kelder verdwenen?

Tijdgenoten Schumacher en Mondriaan naast elkaar

Maar ook de bekende werken zijn in combinaties opgehangen of geplaatst zodat je er opnieuw naar kijkt. Dat de tijdsblokken niet strikt chronologisch achter elkaar worden gepresenteerd opent doorkijkjes met ‘nieuw licht’ en laat ook zien dat de collectie van de 15e tot de 21ste eeuw sterk is. Een dergelijke brede collectie kan geen enkel museum ter wereld laten zien.

Het museum De Pont is een particulier museum dat 25 jaar bestaat en in de jubileumtentoonstelling WeerZien de werken in de collectie confronteert met andere werken van de aangekochte kunstenaars. Het bijzondere van de collectie van het museum is dat het in de vijfentwintig jaar door één directeur (Hendrik Driessen) met een goed oog maar ook eigen voorkeur is samengesteld. Daardoor heeft het in het museum niet alle, maar wel bij elkaar passende kunstenaars in deze periode, met een aantal heel belangrijke topstukken verzameld, vaak eerder en van betere kwaliteit aangekocht dan in de openbare musea in Nederland (bijvoorbeeld Jeff Wall, Bill Viola,  Christiaan Boltanski, Sigmar Polke, Richard Long, Marlene Dumas, David Claerboudt). Zo verzamelt het museum ook de Engelse kunstenares Tacita Dean (1965), die de magie van de celluloid film gebruikt om tijdsbeleving en herinnering onder het ratelende geluid van de projector in de hersens van de toeschouwer op te wekken. Op de tentoonstelling wordt de film Michael Hamburger uit 2007 gedraaid die is gebaseerd op hoofdstuk VII van De Ringen van Saturnus (1995) van de Duits-Engelse schrijver W.G. Sebald. Sebald is verwant aan Tacita, die dikwijls aan

Tacita Dean Michael Hamburger

diens werk refereert of zich er zelfs rechtstreeks op baseert zoals in deze film. In dit boek maakt de schrijver lange voettochten ‘als een reizende gezel uit een voorbije eeuw’ door het oude en geteisterde landschap in de Engelse provincie Suffolk (‘Deze treurige streek is niet alleen nauw verbonden met de bodemgesteldheid en de invloeden van het oceaanklimaat, maar nog veel sterker met de duizenden jaren voortschrijdende terugdringing van dichte bossen die zich na de laatste ijstijd over het gehele gebied van de Britse eilanden hadden uitgebreid’). Zo belandt hij ook bij een vervallen cottage van de net als Sebald in WOII uit Duitsland gevluchte schrijver Michael Hamburger. Het is een geheimzinnig huis met verlaten schrijftafels vol papieren. De passage die de aanleiding is voor de film luidt: ‘En toen ik naar binnen keek in de provisiekamer, die op mij een bijzondere aantrekkingskracht uitoefende en zag hoe er op grotendeels lege stellages een paar gevulde weckpotten stonden te schemeren en hoe op de plank voor het door een taxus verduisterde raam enkele tientallen kleine roodgouden appeltjes lagen te glimmen, ja, te stralen als de appels in de bijbelse gelijkenis (…)’. De camera in de film loopt door het huis langs de schrijftafels tot in de proviandkamer die vol blijkt te liggen met alle mogelijke soorten appeltjes waarover Michael met oude stem lange historische verhandelingen begint te houden. Het trage beeld van de film blijft je bezighouden. Het bezoek aan de tentoonstelling zet allerlei processen in werking waaronder het teruglezen van het boek van Sebald.

In het Van Abbe museum gaat het niet om de werken in de collectie, maar om de verhandelingen van de curatoren over de collectie. De tentoonstelling heet de ‘Making of Modern Art’. Je ziet door alle opgezette theoretische bomen het bos niet meer. Alles is ingekaderd in stromingen en gezichtspunten, revolutie, kolonialisme en kapitalisme, over het algemeen van marxistische tint. Daar overheen

Van Abbe tentoonstellingsinstallatie

wordt de verhouding tussen kopie en origineel van het kunstwerk, de status van het museum, de hang naar utopie of abstractie aan de orde gesteld. Bij iedere zaalpresentatie krijg je er dus veel ‘bij’, maar nooit het werk op zichzelf. Als je het museum verlaat kom je buiten op adem van een maalstroom van gezichtspunten, zonder dat je een duidelijk beeld kunt presenteren wat je voor kunstwerken hebt gezien.

Bij het Stedelijk hebben we voornamelijk met een architectonisch probleem te maken. De nieuwe aanbouw aan de oudbouw had lange tijd het effect op de bezoeker dat hij ‘tegen een muur’ opliep. Dat is kort geleden verholpen door de toegang meer open te maken. Bleef het andere probleem van de grote donkere doos onder de grond, die slecht was belicht vanuit een te hoog plafond en moeilijk en te duur in de inrichting met telkens nieuw formaat tussenschotten.

Stedelijk base van Koolhaas

In de nieuwe presentatie is nu het grootste deel van de topstukken uit de collectie daar ondergebracht. De belichting is verbeterd door de verlaging van het plafond, maar het probleem van een grote ruimte met schotten is gebleven. De oplossing met stalen tussenschotten die de architect Koolhaas daarvoor heeft bedacht is vooral een architectonische vondst en heeft met de collectie niet zoveel te maken. Het labyrintachtige van die oplossing ziet er leuk uit met doorkijkjes en pleintjes, maar is een ensemble-oplossing waarin individuele werken verdwijnen. Wie goed kijkt ziet bovendien dat de presentatie van de collectie eigenlijk heel traditioneel is, teruggrijpt op het lineaire modernistische model van de eerste directeur Alfred Barr van het MoMa in New York. Eigenlijk is het een ouderwets plaatjesboek moderne kunst zoals er in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw veel van waren.

Het schema van Alfred Barr

Misschien is de presentatie aantrekkelijk voor toeristen en schoolkinderen, maar iets nieuws over werken in de collectie valt er niet te ontdekken. In de toekomst zou je dit plaatjesboek kunnen vernieuwen door er een virtuele rondgang op groot scherm van te maken, zoals nu langzamerhand school begint te maken. Dan kun je volstaan met telkens een paar werken in contrasterende confrontatie ‘echt’ te laten zien in plaats van dit openbare labyrintisch depot van alle werken.

Kremer virtueel museum voor 17e eeuwse Nederlandse schilderkunst

Wat opvalt is dat eigenlijk alleen De Pont een volwaardige plaats inruimt voor ‘videokunst’ en daarvoor ook belangrijke architectonische ingrepen in het gebouw heeft uitgevoerd: er zijn volwaardige projectieruimten en de presentatie van stilstaand en bewegend beeld is geïntegreerd.

Geplaatst in Uncategorized | Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe collectiepresentaties in Boijmans, Van Abbe, De Pont en het Stedelijk